MIS GEEN ENKEL NIEUWS!

Met de gratis nieuwsbrief geeft HELLA om de twee weken informatie over alle nieuwe ontwikkelingen in HELLA Tech World

Blijf op de hoogte!
Meer informatie over onze nieuwsbrief weergeven Meer informatie over onze nieuwsbrief uitschakelen
 

Met de gratis nieuwsbrief geeft HELLA om de twee weken informatie over alle nieuwe ontwikkelingen in HELLA Tech World, bijvoorbeeld:

  • Nieuwe voertuigspecifieke reparatie-aanwijzingen
  • Technische informatie - van basiskennis tot diagnosetips
  • Productinnovaties
  • Werkplaatsrelevante marketingacties en wedstrijden

Daarvoor hoeft u alleen uw e-mailadres op te geven. Klik hier als u zich voor de nieuwsbrief wilt afmelden.

Koplampen afstellen

Hier vindt u nuttige kennis en waardevolle tips over het afstellen van koplampen.

De correcte koplampafstelling is een zeer belangrijk veiligheidscriterium dat vaak wordt onderschat. Als koplamen te laag zijn afgesteld, is het zichtveld in het donker beperkt. Als ze te hoog staan, verblinden ze andere weggebruikers. Op deze pagina ontdekt u aan welke voorwaarden moet worden voldaan voor een correcte koplampafstelling en hoe zowel klassieke als moderne lichtsystemen worden getest.

Belangrijke veiligheidsaanwijzing
De volgende technische informatie en praktijktips zijn door HELLA opgesteld om werkplaatsen tijdens hun werk professioneel te ondersteunen. De aangegeven informatie op deze website mag alleen door daarvoor opgeleid vakpersoneel worden gebruikt.

 

AFSTELLEN VAN KOPLAMPSYSTEMEN: WETENSWAARDIGHEDEN

Sinds de asymmetrische lichtverdeling die in 1957 op de markt kwam, zijn er ook wettelijke voorschriften voor de koplampafstelling.

 

Eerst werden de koplampen op de zogenaamde "10 meter-wand" afgesteld. Hierbij wordt een voertuig op een afstand van 10 m voor een lichte wand gereden, die van bepaalde markeringen is voorzien. Aan de hand van deze markeringen worden de koplampen vervolgens getest of afgesteld.

 

Dit is tot vandaag de wettelijk voorgeschreven testmethode die vooral nog bij de tests van landbouw- of speciale voertuigen wordt gebruikt. Nadelen van deze methode zijn onder meer dat men een relatief grote, lichtgekeurde en vrije wand nodig heeft, die veel plaats in beslag neemt. Dit was en is vaak niet voorhanden in de werkplaatsen.

 

Deze omstandigheden hebben mede gezorgd voor de ontwikkeling van koplampafstelapparaten. Dergelijke apparaten maken een snellere en flexibelere test van de lichtverdeling mogelijk.

 

Hierne worden de meetmethodes, de wettelijke basisprincipes en de belangrijkste stappen voor een professionele koplampafstelling beschreven.

KOPLAMPAFSTELAPPARAAT OPTIMAAL INSTELLEN: INSTRUCTIE

Meetmethode

De koplampafstelapparaten zorgen eigenlijk voor de simulatie van de 10 meter-wand. De in de optiekkast ingebouwde lens verkort de voorgeschreven meetafstand van 10 meter naar 50 cm (lens tot testscherm, zie afbeelding 2).

 

De benodigde ruimte en een geschikte wand vallen hierdoor weg. Een koplampafstelapparaat kan ook flexibel op meerdere plaatsen in de werkplaats worden gebruikt, voor zover de werkplaatsbodem aan de vereiste toleranties voldoet.

Koplampafstelplaats

Voor een exacte koplampafstelling is de toestand van de vloer zeer belangrijk. Daarom is er ook een eigen norm (DIN ISO 10604) waarin het "testvlak" nauwkeurig wordt beschreven en de toegelaten toleranties worden vermeld. De grafieken in afbeelding 3 geven een verduidelijking van de eisen.

 

Als deze toleranties niet worden gerespecteerd, hebben zelfs kleine afwijkingen een grote invloed op de lichtverdeling.

 

Dit wordt duidelijk in het volgende rekenvoorbeeld:
Zoals reeds is aangegeven, is in het koplampafstelapparaat een lens ingebouwd die de voorgeschreven afstand van 10 meter tot de wand verkort tot slechts 50 cm. Een foutieve meting met slechts 5 mm op het testscherm van het afstelapparaat stemt dus overeen met een verschil van 10 cm over een afstand van 10 m (verhouding 10 m tot 50 cm is gelijk aan factor 20). Bij een voertuig waarvan de koplampen op een hoogte van 60 cm zijn ingebouwd, heeft het dimlicht een reikwijdte van 60 meter (bij een voorhelling van 1 % = 10 cm helling over een reikwijdte van 10 m).

 

Dit betekent dat het licht van de koplamp 60 cm zou afwijken. Het is dus duidelijk hoe belangrijk een exact testvlak is voor de lichtverdeling. Het zijn namelijk slechts millimeters die beslissen over de verblinding van de tegenliggers of over rijden in halfdonkere situaties.

Voertuig conditioneren

Niet alleen de situatie van de vloer is belangrijk. Het voertuig moet ook worden voorbereid op de test.

 

De volgende punten moeten in acht worden genomen:

  • Koplampen op werking controleren.
  • Koplampglazen controleren op steenslag, krassen en troebelheid.
  • De banden moeten de voorgeschreven luchtdruk hebben.
  • Personenwagens met een persoon of 75 kg op de bestuurdersstoel belasten, het voertuig is anders onbelast.
  • Vrachtwagens en andere meersporige voertuigen worden niet belast.
  • Eensporige voertuigen en trek- of werkmachines met één as (met zitkar of aanhanger) moeten met een persoon of 75 kg op de bestuurdersstoel worden belast.
  • Bij voertuigen met hydraulische- of luchtvering moeten de fabrieksaanwijzingen in acht genomen worden.
  • Als er een automatische correctie van de koplampen of een traploze of meertrapsverstelinrichting voorhanden is, moeten de aanwijzingen van de fabrikant in acht worden genomen. Hier moeten, naargelang de fabrikant, verschillende functiecontroles worden uitgevoerd.
  • Bij verschillende voertuigen met een automatische koplampafstelling is voor de afstelling een diagnosetester nodig aangezien de stuureenheid tijdens de afstelling in de "basismodus" moet worden gezet. Als de licht-donkergrens correct is ingesteld, wordt deze waarde als nieuwe regelpositie opgeslagen, zie afbeelding 4.

Opstelling van het koplampafstelapparaat

Als de bodemtoestand in orde is en het voertuig is geconditioneerd, dan moet alleen nog het koplampafstelapparaat ten opzichte van het voertuig worden uitgelijnd voor een exacte afstelling.

 

Het afstelapparaat wordt voor de te controleren koplampen gereden. Het afstelapparaat moet op het midden van de koplamp of op de lichtbron worden ingesteld. De toegelaten afwijkingen in de hoogte en naar de zijkant bedragen maximaal 3 cm. De afstand tussen de optische lens en de koplamp varieert per fabrikant. Bij de koplampafstelapparaten van Hella Gutmann Solutions mag de afstand van de voorkant van de optische lens tot aan de koplamp tussen 30 en 70 cm bedragen, zie afbeelding 5.

 

Daarna wordt het afstelapparaat uitgelijnd ten opzichte van het voertuig . Apparaten op wieltjes moeten voor elke te controleren koplamp afzonderlijk worden uitgelijnd. Bij apparaten die op rails lopen, hoeft de optische lens slechts één keer te worden uitgelijnd. Nu wordt de optische lens met behulp van een breedband-, laser- of spiegelvizier zodanig uitgelijnd dat de zichtlijn contact maakt met twee punten die op gelijke hoogte en symmetrisch met de voertuiglengte-as liggen, zie afbeelding 5 (stippellijnen).

Voorhelling van de licht-donkergrens instellen

Als laatste wordt de "voorhelling" op het apparaat ingesteld. Die stemt overeen met de hellingshoek van de licht-donkergrens van de koplamp. De voorhelling wordt in % aangegeven en is doorgaans op de koplamp te vinden, zie afbeelding 6.

 

1 % betekent bijvoorbeeld dat het dimlicht over een reikwijdte van 10 m een helling van 10 cm vertoont. Het testscherm wordt met behulp van het schaalwiel op het juiste percentage ingesteld, zie afbeelding 7.

Afsteltabel

Hieronder vindt u twee afsteltabellen met de basismaten voor de verschillende voertuigtypes.

Voertuigtype:
Meersporige motorvoertuigen, met uitzondering van land- of bosbouwkundige
Trek- en werkmachines of gelijkaardige motorvoertuigen
Afstelmaat
Dimlichtkoplamp Mistlamp
1.1 EWG (EG) / ECE als testbasis Op het voertuig aangegeven afstelmaat 2,0 %
1.1.1 Motorvoertuig met verlichtingsaanbouw volgens 76 / 756 / EWG of met goedkeuring volgens de ECE-R 48
1.2 StVZO (het Duitse wegenverkeersreglement) als testbasis
1.2.1 Motorvoertuigen met eerste registratie vanaf 01/01/1990. Koplampen niet hoger dan 1.200 mm boven de rijbaan1)
1.2.2 Motorvoertuigen met eerste registratie tot 31/12/1989. Koplampen niet hoger dan 1.400 mm boven de rijbaan1), en motorvoertuigen met eerste registratie vanaf 01/01/1990. Koplampen hoger dan 1.200 mm, maar niet hoger dan 1.400 mm boven de rijbaan1) 1,2 % 2,0 %
a) Personenwagens (ook combinatiemotorvoertuigen) 1,2 % 2,0 %
b) Motorvoertuig met niveauregelende vering of automatische hellingcompensatie van de lichtbundel2) 1,0 % 2,0 %
c) Vrachtwagens met laadbak aan de voorkant
d) Vrachtwagens met laadvlak aan de achterkant, met uitzondering van motorvoertuigen volgens 1.2.2 b) 3,0 % 4,0 %
e) Trekkers, met uitzondering van motorvoertuigen volgens 1.2.2 b)
f) Autobussen of touringcars met uitzondering van motorvoertuigen volgens 1.2.2 b)
1.2.3 Motorvoertuigen met koplamp H  ≤ 1.400 mm1) H/3 (H/3 + 7)
2. Motorfietsen en vergelijkbare motorvoertuigen    
2.1 93 / 92 / EWG als testbasis    
a) Bromfietsen met twee wielen Geen eisen
b) Bromfietsen met 3 wielen en lichte motorvoertuigen met 4 wielen
c) Motorfietsen zonder/met zijspan 0,5 tot 2,5 % 2,0 %
d) Bromfietsen met 3 wielen
2.2 ECE-R 53 als testbasis Op het voertuig aangegeven afstelmaat 2,0 %
2.3 StVZO (het Duitse wegenverkeersreglement) als testbasis 1,0 % 2,0 %
3 Landbouw- of boskundige trek- en werkmachines of gelijkaardige motorvoertuigen    
3.1 EWG (EG) / ECE als testbasis    
a) Koplamphoogte: 500 mm < h  ≤ 1.200 mm 0,5 tot 4,0 % 2,0 %
b) Koplamphoogte: 1.200 mm < h  ≤ 1.500 mm 0,5 tot 6,0 % 2,0 %
c) Extra koplampen (op trekmachines die voor frontopbouw zijn uitgerust) H  ≤  2.800 mm H/3  
3.2 StVZO (het Duitse wegenverkeersreglement) als testbasis    
a) Eenassige trek- of werkmachines met voortdurend gedimde koplampen waarop de vereiste helling van het lichtbundelmiddel is aangegeven 2 x N 2,0 %
b) Meerassige trek- of werkmachines 1,0 % 2,0 %

1) Tot het hoogste punt van het verlichtende vlak.

2) De bijzonderheden van deze inrichtingen moeten volgens de instructies van de fabrikant in acht worden genomen.

KOPLAMPAFSTELLING TESTEN - LICHTVERDELING INSTELLEN: INSTRUCTIE

Nu is het apparaat optimaal ingesteld en kunnen de verschillende lichtverdelingen worden getest en eventueel worden gecorrigeerd.

KOPLAMPEN MET SYMMETRISCHE DIMLICHT

SEG in overeenstemming met punt 4.0 afstellen. Het schaalwiel volgens de afsteltabellen instellen.

 

Dimlicht inschakelen:
De licht-donkergrens moet over de volledige schermbreedte zo horizontaal mogelijk langs de scheidingsstreep lopen. De koplamafstelling indien nodig via de instelschroeven corrigeren.

 

Grootlicht inschakelen:
Het midden van de lichtbundel van het grootlicht moet op de centrale markering liggen, eventueel via de instelschroeven corrigeren.

 

Bij een gezamenlijke afstelbaarheid voor groot- en dimlicht, aansluitend nogmaals het dimlicht testen.

KOPLAMPEN MET ASYMMETRISCH DIMLICHT

Apparaat in overeenstemming met punt 4.0 afstellen. Het schaalwiel volgens de afsteltabellen instellen.

 

Dimlicht inschakelen:
Bij koplampen met asymmetrisch dimlicht moet de licht-donkergrens contact maken met de scheidingsstreep van het testvlak. Het knikpunt tussen het linkse en rechtse stijgende gedeelte van de licht-donkergrens moet op de loodlijn door de centrale markering (bovenste kruis) lopen. De heldere kern van de lichtbundel ligt daarbij rechts van de loodlijn die door de centrale markering loopt. Voor de eenvoudigere bepaling van het knikpunt kunt u de linkse koplamphelft (in de rijrichting) enkele keren afdekken en opnieuw vrijgeven. Aansluitend nogmaals het dimlicht testen.

 

Grootlicht: Na de voorgeschreven afstelling van de licht-donkergrens van het dimlicht moet het midden van de lichtbundel van het grootlicht op de centrale markering (bovenste kruis) liggen.

AFSTELLING MISTLICHT TESTEN

Apparaat in overeenstemming met punt 4.0 afstellen.

 

Het schaalwiel volgens de afsteltabellen instellen.

 

Mistlicht inschakelen:
De licht-donkergrens moet over de volledige schermbreedte zo horizontaal mogelijk langs de scheidingsstreep lopen. De koplamafstelling indien nodig via de afstelmogelijkheden corrigeren.

BIJZONDERE KOPLAMPEN VOOR GROOTLICHT (BIJVOORBEELD VERSTRALERS)

Apparaat in overeenstemming met punt 4.0 afstellen.

 

Het schaalwiel volgens de afsteltabellen instellen.

 

Grootlicht inschakelen:
Het midden van de lichtbundel van het grootlicht moet op de centrale markering liggen, eventueel via de afstelmogelijkheid corrigeren.

 

Bij afzonderlijke grootlichtmodules (bijv. in combinatie met bi-xenonkoplampen) moet het grootlicht volgens de instructies van de voertuigfabrikant worden afgesteld, aangezien er in dit geval verschillende mogelijkheden kunnen zijn.

Afstelling van de "verticale licht-donkergrens"

Bepaalde fabrikanten bieden sinds kort ook zogenaamde "grootlichtassistenten" als optionele uitrustingsvariant aan. Door een camera in de windbeschermkap wordt tegenliggend of vooruitrijdend verkeer herkend en wordt het grootlicht automatisch ingeschakeld en gedimd. Bovendien is er ook de zogenaamde "verblindingsvrije verticale licht-donkergrens". Dit grootlichtsysteem produceert een heel speciale lichtverdeling op de weg.

 

In tegenstelling tot het normale grootlicht, dat als een ovale lichtvlek op het testscherm wordt weergegeven, heeft de verblindingsvrije verticale licht-donkergrens eerder een hoekige vorm, zie afbeelding 9.

 

Om deze grootlichtfunctie te kunnen afstellen, moet er met een diagnosetester een menu worden opgeroepen. De koplampen worden dan in een bepaalde positie bewogen en de verblindingsvrije verticale licht-donkergrens wordt aangestuurd. Nu moet de verticale lijn van de lichtverdeling (rood kruis) precies op de centrale markering van het testscherm worden ingesteld. Bij een erblindingsvrije verticale licht-donkergrens is een juiste afstelling absoluut noodzakelijk, omdat anders de andere weggebruikers extreem verblind kunnen worden.

Dimwaarde van het dimlicht testen

Met de luxmeter kan na de koplampafstelling onder andere worden gecontroleerd of de maximum toegelaten dimwaarde van het dimlicht wordt overschreden. De huidige koplampafstelapparaten zijn doorgaans met een digitale luxmeter uitgerust, zie afbeelding 10.

 

Als de dimwaarde duidelijk wordt overschreden, moet de koplamp worden vervangen om andere weggebruikers niet te verblinden.

Koplampafstelling: testspectrum

Koplampafstelling: testspectrum

PROFESSIONELE KOPLAMPAFSTELLING: VIDEO

Professionele koplampafstelling met HELLA GUTMANN SOLUTIONS

Afstelling van een koplamp met het koplampafstelapparaat (SEG V).

 

04:39 min

KOPLAMPEN ZONDER APPARAAT AFSTELLEN: INSTRUCTIE

Zoals reeds is aangegeven, wordt deze methode vandaag de dag voornamelijk nog gebruikt bij voertuigen waarbij de bovenste spiegelrand van de koplampen hoger is dan 140 cm boven het standoppervlak. Het voertuig wordt op een effen oppervlak, dat niet horizontaal hoeft te zijn, op een afstand van 10 m van een verticale licht wand opgesteld.

 

De volgende lijnen moeten op de wand worden aangebracht.

 

Lijn A
De langteas van het voertuig tot aan de testwand verlengen en met een loodrechte lijn aanduiden.

 

Lijn B en C
Afstand X van de koplampen (midden tot midden) op het voertuig meten en de maat symmetrisch met lijn A aanbrengen.

Lijn D
Met de afstand "e" onder de lijn H aanbrengen.

 

Lijn H
Hoogte van het koplampmidden tot het standvlak meeen en op de testwand evenwijdig met het standvlak aanbrengen.

Afstelling van de koplampen

De rechtse koplamp afdekken en de linkse koplamp zodanig instellen dat het horizontale deel van de licht-donkergrens contact maakt met lijn D. Daarna de koplamp zijdelings uitlijnen. De knik tussen het horizontale en het stijgende (asymmetrische) deel van de licht-donkergrens moet op de lijn B liggen. Aansluitend de rechtse koplamp op dezelfde manier instellen. De knik van de licht-donkergrens ligt hier op de lijn C.