MIS GEEN ENKEL NIEUWS!

Met de gratis nieuwsbrief geeft HELLA om de twee weken informatie over alle nieuwe ontwikkelingen in HELLA Tech World

Blijf op de hoogte!
Meer informatie over onze nieuwsbrief weergeven Meer informatie over onze nieuwsbrief uitschakelen
 

Met de gratis nieuwsbrief geeft HELLA om de twee weken informatie over alle nieuwe ontwikkelingen in HELLA Tech World, bijvoorbeeld:

  • Nieuwe voertuigspecifieke reparatie-aanwijzingen
  • Technische informatie - van basiskennis tot diagnosetips
  • Productinnovaties
  • Werkplaatsrelevante marketingacties en wedstrijden

Daarvoor hoeft u alleen uw e-mailadres op te geven. Klik hier als u zich voor de nieuwsbrief wilt afmelden.

Signaalverlichting

Signaallichten hebben een belangrijke veiligheidsfunctie. De verlichting geeft de vertraging en de richtingsverandering aan en maken het voertuig in het donker of bij slecht zicht beter herkenbaar voor andere weggebruikers. Op deze pagina leest u hoe signaallichten zijn opgebouwd en welke techniek er achter de nieuwe systemen zit. Bovendien vindt u hier de meest voorkomende uitvalsoorzaken voor signaallichten, tips voor de foutopsporing en verwijzingen naar belangrijke voorschriften.

Belangrijke veiligheidsaanwijzing
De volgende technische informatie en praktijktips zijn door HELLA opgesteld om werkplaatsen tijdens hun werk professioneel te ondersteunen. De aangegeven informatie op deze website mag alleen door daarvoor opgeleid vakpersoneel worden gebruikt.

 

SIGNAALLICHT: OPBOUW

Buitenlampen – vooraan, aan de zijkant of achteraan het voertuig aangebracht – geven weggebruikers informatie met hun signalen en zijn daarom van groot belang voor de verkeersveiligheid.

Een conventionele signaallamp voor personenauto's bestaat in principe uit drie bouwgroepen: de lamphouder, de behuizing en het lampglas.

 

  • De lamphouder plaatst een of meerdere lichtbronnen in de juiste stand voor het optische systeem van de lamp.

 

  • De behuizing bevat de reflectoren die qua vorm meestal zijn aangepast.

 

  • Het lampglas is voorzien van extra optische structuren voor de verdeling van het licht.

 

Om aan de lichttechnische eisen te voldoen, moet het licht van de lichtbronnen worden opgevangen en gericht, afgebogen en verdeeld worden. Hiervoor worden verschillende optische elementen gebruikt.

Signaallicht: optische systemen met gloeilampen

Optische systemen met gloeilampen

ASIGNIS® – ADAPTIEF SIGNAALSYSTEEM: WERKING

Alle functies in een achterlicht werken slechts op één niveau, of het nu overdag, 's nachts of op een heldere of nevelachtige morgen is. De enige aanwezige mogelijkheid voor de aanspassing aan slecht weer is het mistachterlicht. Deze wordt echter vaak verkeerd gebruikt, wat tot irritaties leidt. Extra informatie over een lichte of een volledige remming wordt bijvoorbeeld niet gegeven.

 

ASIGNIS® kan het licht van de afzonderlijke signalen van een achterlicht (rem, knipperlicht, etc.) aan de actuele situatie aanpassen. Afhankelijk van de weer- en zichtomstandigheden kan er gevarieerd worden met de lichtintensiteit van de signalen (bijv. feller overdag en donkerder 's nachts of bij het remsignaal).

 

Om te remsignalen duidelijk van elkaar te onderscheiden kunnen gerealiseerd door een groter signaaloppervlak, een verhoging van de helderheid of de toevoeging van een verhoogde knipperfrequentie. Afhankelijk van de vertraging wordt het remlicht in drie stappen geactiveerd: hoe krachtiger wordt geremd, des te meer LED's er oplichten. Bij voluit remmen zorgt een knipperend deelveld van het rode remlicht voor een extra waarschuwingssignaal.

TIPS VOOR WERKEN MET SIGNAALLICHTEN: PRAKTIJKTIPS

Bij veel voertuigen worden de verlichtinsmiddelen met een pulsbreedtemodulatie (PWM) aangestuurd. Dit heeft meerdere voordelen voor de voertuigverlichting. Enerzijds kunnen voor verschillende functies dezelfde gloeilampen worden gebruikt. Bovendien wordt de levensduur van de gloeilampen verlengd.

 

Ook bij de achterlichten van de Golf V treft men een PWM aan. Door de PWM is het mogelijk om een 21 W-gloeilampel zowel voor het rem- als voor het achterlicht te gebruiken. De pulsbreedte wordt zodanig gemoduleerd dat de 21 W-gloeilamp bij benadering dezelfde lichtstroom als een 5 W-gloeilamp heeft. Als de rem nu wordt bediend, is de inschakeltijd zo lang dat bij het remlicht 13,5 V aanwezig is en dat de 21 W-gloeilamp de volledige lichtstroom (zie afb.) afgeeft. Als de rem weer wordt losgelaten, gaat de spanning terug naar 5,74 V.

 

Bij de vervanging van gloeilampen in signaallichten moeten altijd de instructies en specificaties van de fabrikant in acht worden genomen. Als er een foute gloeilamp wordt gebruikt, bestaat het risico dat de gewenste lichtsterkte niet wordt bereikt.

SIGNAALLICHT DEFECT: SYMPTOMEN

Een defect signaallicht kan aan de volgende symptomen worden herkend:

  • Enkelvoudige functies, zoals het remlicht, geven geen signalen. Dit leidt tot een verhoogd veiligheidsrisico, met name bij het rijden in het donker
  • Controlelampje op het dashboard licht op (uitvalcontrole, indien aanwezig)
  • Twee lichtfuncties lichten op, bijvoorbeeld knipper- en achterlicht

SIGNAALLICHT CONTROLEREN: FOUTOPSPORING

Als er een signaallicht uitvalt, zijn er altijd meerdere mogelijke oorzaken. Bij de foutopsporing moeten de volgende punten in acht worden genomen.

  • De verlichtingsmiddelen controleren en eventueel vervangen
  • Lamphouder controleren op corrosie en contactonderbrekingen
  • Spanningsvoeding inclusief zekeringen controleren
  • Stekkerverbinding op corrosie en mechanische schade controleren
  • Bij voertuigen met pulsbreedtemodulatie de signalen met een oscilloscoop/diagnosetester controleren.

SIGNAALLICHT VOORSCHRIFTEN: WETENSWAARDIGHEDEN

Vanwege de omvang van de wettelijke regelingen worden hier alleen de belangrijkste voorschriften toegelicht. In de volgende regelingen bevatten alle relevante informatie over signaallichten, hun eigenschappen en toepassingen:

 

76/759/EEG, ECE-R6, StVZO § 54
Knipperlichten vooraan, achteraan en aan zijkant

 

76/758/EEG, ECE-R7, StVZO § 51 en 53
Positie- en achterlichten vooraan en achteraan

 

77/540/EEG, ECE-R77, StVZO § 51
Parkeerlichten voor en achter

 

ECE-R87
Dagrijlichten

 

77/539/EEG, ECE-R23, StVZO § 52
Achteruitrijlampen

 

76/758/EEG, ECE-R7, StVZO § 53
Remlichten

 

77/538/EEG, ECE-R38, StVZO § 53d
Mistachterlichten

 

76/760/EEG, ECE-R4, StVZO § 60
Kentekenplaatverlichting

 

ECE-R3
Reflectors

Knipperlichten vooraan, achteraan en aan zijkant
Aantal vooraan Twee
Aantal achteraan Twee of vier
Aantal aan zijkant
(optioneel)
Eén per zijde
Kleur Geel
In de hoogte Geoorloofd tussen 350 mm en 1500 mm
In de breedte Max. 400 mm van het uiterste punt van de carrosserie, minstens 600 mm uit elkaar
Aan de zijkant Montagehoogte tussen 350 mm en 1500 mm en max. 1800 mm van de voorste voertuigomtrek
Elektrische schakeling Een elektronisch waarschuwingsknipperlicht bestaat uit een klok die lampen via een relais inschakelt. Bovendien beschikt het over een controleschakeling die stroomafhankelijk werkt en die bij de uitval van een lamp de knipperfrequentie verandert. De frequentie van de knippersignalen ligt tussen 60 en 120 per minuut. Alle knipperlichten van een zijde moeten synchroon werken.
Inschakelcontrole Groene controlelamp
Overige Voor het onderhouden van de knipperinstallatie zijn er, afhankelijk van de eisen, diverse functiecontroles (enkel-circuit-, dubbel-circuit-controle)
Positielicht (personenwagen) vooraan
Aantal Twee of vier
Kleuren Wit, bij gele hoofdkoplampen ook geel
Opbouw De lay-out is dezelfde als bij de voorste knipperlichten.
Overige Meer dan 1600 mm brede voertuigen en aanhangers hebben breedtelichten (vooraan) nodig.

 

Achterlichten
Aantal Twee of vier
Kleur Rood
In de hoogte Geoorloofd tussen 350 mm en 1500 mm
In de breedte Max. 400 mm van het uiterste punt van de carrosserie, minstens 600 mm uit elkaar
Elektrische schakeling Geen speciale voorschriften
Overige Bij een dubbele functie (rem-, achterlicht) moet de lichtsterkteverhouding van de afzonderlijke functies minstens 5 tot 1 bedragen.
Mistachterlichten
Aantal Eén of twee
Kleur Rood
In de hoogte Geoorloofd tussen 250 mm en 1000 mm
In de breedte De afstand tot het remlicht moet minstens 100 mm bedragen.
Elektrische schakeling De mistachterlampen mogen alleen werken als het dimlicht, het grootlicht of de mistlampen zijn ingeschakeld. Ze moeten onafhankelijk van de mistlampen aan de voorzijde kunnen worden uitgeschakeld.
Inschakelcontrole Geel, vóór 1981 toegelaten voertuigen ook groen
Overige Het zichtbare lichtende vlak mag niet meer dan 140 cm2 bedragen. Het licht mag pas bij een zichtbaarheid van minder dan 50 m worden ingeschakeld.
Mistachterlichten
Aantal Eén of twee
Kleur Rood
In de hoogte Geoorloofd tussen 250 mm en 1000 mm
In de breedte De afstand tot het remlicht moet minstens 100 mm bedragen.
Elektrische schakeling De mistachterlampen mogen alleen werken als het dimlicht, het grootlicht of de mistlampen zijn ingeschakeld. Ze moeten onafhankelijk van de mistlampen aan de voorzijde kunnen worden uitgeschakeld.
Inschakelcontrole Geel, vóór 1981 toegelaten voertuigen ook groen
Overige Het zichtbare lichtende vlak mag niet meer dan 140 cm2 bedragen. Het licht mag pas bij een zichtbaarheid van minder dan 50 m worden ingeschakeld.
Kentekenplaatverlichting
Aantal Afhankelijk van de behoefte één tot twee lampen
Kleur Wit
Opbouw Geen speciale voorschriften
Elektrische schakeling Geen speciale voorschriften
Inschakelcontrole Geel, vóór 1981 toegelaten voertuigen ook groen
Overige Het achterste kenteken moet zodanig worden verlicht dat het ook nog op een afstand van 25 m leesbaar is. De minimumlichtdichtheid op het totale vlak moet minstens 2,5 cd/m bedragen.2 bedragen.
Achteruitrijlichten
Aantal Eén of twee
Kleur Wit
In de hoogte 250 mm tot 1200 mm geoorloofd
In de breedte Geen speciale voorschriften
Elektrische schakeling De schakeling functioneert alleen bij ingeschakelde ontsteking en ingeschakelde achteruit versnelling.
Parkeerlichten
Aantal Volgens de behoefte twee vooraan en twee achteraan of aan elke zijde één
Kleur Wit
In de hoogte Geoorloofd tussen 350 mm en 1500 mm
In de breedte Max. 400 mm van het uiterste punt van de carrosserie, minstens 600 mm uit elkaar
Elektrische schakeling De parkeerlichten moeten ook werken zonder dat er andere lichten zijn ingeschakeld.
Inschakelcontrole Geel, vóór 1981 toegelaten voertuigen ook groen
Overige Over het algemeen wordt de functie van de parkeerlichten door de achterlichten overgenomen.
Zijmarkeringslichten
Aantal Volgens de voertuiglengte
Kleur Geel
In de hoogte Geoorloofd tussen 250 mm en 1500 mm
In de breedte Max. 3000 mm van de voorste voertuigomtrek en max. 1000 mm van de achterste voertuigomtrek
Elektrische schakeling Geen speciale voorschriften
Dagrijlichten
Aantal Twee vooraan
Kleur Wit
In de hoogte Geoorloofd tussen 250 mm en 1500 mm
In de breedte Max. 400 mm van het uiterste punt van de carrosserie, minstens 600 mm uit elkaar
Elektrische schakeling De dagrijlichten moeten automatisch worden uitgeschakeld wanneer de dimlichten worden ingeschakeld.

Inbouwvoorschriften zijaanzicht

Signaallichtvoorschriften: inbouwvoorschriften zijaanzicht

Zijmarkeringslichten (ZML) / Zijmarkeringsreflectoren (ZMR)
1 ZML/ZMR: max. 1000 mm (van de achterste voertuigomtrek)
2 Alle: max. 3000 mm
3 Richtingaanwijzer: max. 1800 mm ZML/ZMR: max. 3000 mm (van de voorste voertuigomtrek)
4 ZMR: max. 900 mm, ZML: 1500 mm
5 ZML/ZMR: min. 250 mm
6 ZMR/ZML: min. 250 mm, richtingsaanwijzer: 350 mm
7 ZMR: max. 900 mm, ZML/richtingsaanwijzer: 1500 mm

Inbouwvoorschriften achteraanzicht

Signaallichtvoorschriften: inbouwvoorschriften achteraanzicht

Zijmarkeringslichten (ZML) / Zijmarkeringsreflectoren (ZMR)
1 Geldt voor richtingsaanwijzer/remlicht/achterlicht/reflector: max. 600 mm
2 Geldt voor richtingsaanwijzer/remlicht/achterlicht/reflector
3 Hooggeplaatst remlicht: min. 850 mm
4 Achterlicht: min. 350 mm
5 Achterlicht: max. 1500 mm
6 Hooggeplaatst remlicht: max. 150 mm onder achterlicht of 3

Typekeuringnummers signaallampen

Voor verlichting in voertuigen bestaan nationale en internationale bouw- en bedrijfsvoorschriften, waarin terug te vinden is hoe de inrichtingen moeten worden gemaakt en getest. Voor signaallichten zijn er speciale goedkeuringstekens, die op het licht te vinden zijn.

 

Een voorbeeld
Op een lamp is het volgende te lezen: RS1 IAF 02 E1 Æ 31483:

  • R staat voor achterlicht,
  • S1 voor remlicht,
  • IA voor reflector,
  • F voor mistachterlicht, en 02 betekent, dat het voorschrift voor de tweede maal na het verschijnen veranderd is.

 

Deze merktekens zijn in het achterlicht geïntegreerd:

  • Het merkteken E1 wijst erop dat het licht in Duitsland werd toegelaten.
  • De pijl geeft de inbouwinrichting van het licht aan en wijst daarom steeds naar de voertuigbuitenzijde. Als er geen pijl aanwezig is, dan kan het licht achteraan rechts of links worden ingebouwd.
  • Tenslotte volgt het vjifcijferige typetestnummer.

HULP BIJ DE DECODERING VAN DE CIJFER- EN LETTERCOMBINATIE VAN SIGNAALLICHTEN

A Breedtelicht
AR Achteruitrijlicht
F Mistachterlicht
IA Reflectors
R Achterlicht
S1 Remlicht
1 Voorste knipperlicht (verschillende technische dimensionering)
1a Voorste knipperlicht (verschillende technische dimensionering)
1b Voorste knipperlicht (verschillende technische dimensionering)
2a Achterste knipperlicht
5 Extra zijdelings knipperlicht (voor voertuigen tot 6 m lang)
6 Extra zijdelings knipperlicht (voor voertuigen langer dan 6 meter)
SM1 Zijmarkeringslicht (voor alle voertuigen)
SM2 Zijmarkeringslicht (voor voertuigen tot 6 m lang)

 

De toegelaten lichtsterktewaarden variëren naargelang de functie. Veranderingen van de beweging (remmen = 60 cd) hebben sterkere lichtsignalen dan die voor de positie en oriëntatie (achterlicht = 4 cd).

 

S Achterlicht
B Remlicht
ZB Extra remlicht
BL Knipperlicht
ZR Achterlicht
NES Mistachterlicht
PO Positielicht