MIS GEEN ENKEL NIEUWS!

Met de gratis nieuwsbrief geeft HELLA om de twee weken informatie over alle nieuwe ontwikkelingen in HELLA Tech World

Blijf op de hoogte!
Meer informatie over onze nieuwsbrief weergeven Meer informatie over onze nieuwsbrief uitschakelen
 

Met de gratis nieuwsbrief geeft HELLA om de twee weken informatie over alle nieuwe ontwikkelingen in HELLA Tech World, bijvoorbeeld:

  • Nieuwe voertuigspecifieke reparatie-aanwijzingen
  • Technische informatie - van basiskennis tot diagnosetips
  • Productinnovaties
  • Werkplaatsrelevante marketingacties en wedstrijden

Daarvoor hoeft u alleen uw e-mailadres op te geven. Klik hier als u zich voor de nieuwsbrief wilt afmelden.

Lane change assist

Hier vindt u nuttige kennis en waardevolle tips over het onderwerp Lane change assist en Blind spot assist.

Bij de verdere ontwikkeling van rijhulpsystemen om ongevallen te voorkomen, is de interesse in radarsensoren voor rijhulpsystemen voor de achterzijde duidelijk toegenomen. Steeds meer voertuigmodellen worden bij productie reeds met deze sensoren uitgerust. Daarom behoort het thema diagnose en reparatie niet alleen bij merkdealers, maar ook in vrije garages wordt dit vroeg of laat dagelijks werk. In dit document willen wij ons speciaal bezighouden met radarsensoren voor de achterzijde en hun toepassingen in het rijhulpsysteem 'lane change assist'.

Belangrijke veiligheidsaanwijzing
De volgende technische informatie en praktijktips zijn door HELLA opgesteld om werkplaatsen tijdens hun werk professioneel te ondersteunen. De aangegeven informatie op deze website mag alleen door daarvoor opgeleid vakpersoneel worden gebruikt.

 

RADARSENSOREN IN RIJHULPSYSTEMEN: WETENSWAARDIGHEDEN

Steeds meer rijhulpsystemen ter ondersteuning van de bestuurder worden uitgerust met radarsensoren. Een voordeel van deze techniek is, dat radarsensoren onafhankelijk van de weersomstandigheden een nauwkeurig meetresultaat kunnen bereiken. Bij het begrip 'radar' denkt men in de eerste plaats aan de lucht- of scheepvaart. Daar zijn deze systemen al jaren bekend en bewezen. 'Radar' is de afkorting van 'Radio Detection and Ranging' en betekent vrij vertaald 'radiodetectie en afstandsmeting'.

 

Dit wil zeggen dat een radartoestel gebundelde elektromagnetische golven in lichtsnelheid zendt, de zogenaamde primaire signalen. Als deze golven op een object stoten, worden ze als echo's (secundaire signalen) gereflecteerd en door het systeem ontvangen en geanalyseerd. In de analyse-elektronica van het systeem kunnen dan richting, afstand en snelheid worden bepaald.

Toepassing in de automobielsector

Radarsensoren worden gebruikt voor afstandsmeting in bestuurdersassistentiesystemen aan voor- en achterzijde. 

 

Radarsensoren voor toepassingen aan de voorzijde, zoals de ACC (Adaptive Cruise Control), zijn al jarenlang in verschillende motorvoertuigen verkrijgbaar. 

 

Bij de verdere ontwikkeling van rijhulpsystemen om ongevallen te voorkomen, is de interesse in radarsensoren voor rijhulpsystemen voor de achterzijde duidelijk toegenomen. Steeds meer voertuigmodellen worden bij productie reeds met deze sensoren uitgerust. Daarom behoort het thema diagnose en reparatie niet alleen bij merkdealers, maar ook in vrije garages wordt dit vroeg of laat dagelijks werk.

HELLA 24 GHZ-RADARSENSOREN: GRONDSLAGEN

HELLA produceert al meer dan tien jaar radarsensoren in het bereik van 24 GHz-smalband. Al in 2005 paste HELLA de eerste generatie 24 GHz-radarsensoren seriematig toe. De sensoren zijn geschikt voor de inmiddels geëtableerde standaardfuncties zoals herkenning van de dode hoek, assistentie bij rijkstroken (lane change assist) en hulp bij achteruit inparkeren.

 

De radarsensor registreert snelheids-, hoek- en afstandsinformatie van objecten in een bereik tot 70 meter achter het voertuig en analyseert deze. Al vanaf de eerste generatie wordt hier de modulatiemethode LFMSK (Linear Frequency Modulation Shift Keying) gebruikt.

 

Met behulp van deze methode kunnen afstand en relatieve snelheid van meerdere doelen met slechts één signaal (chirp) - waarvan de frequentie zich in de tijd verandert - worden geregistreerd en bepaald.

 

In de derde radargeneratie wordt een verder ontwikkelde FM-variant gebruikt, waarbij de modulatiebandbreedte is beperkt tot max. 200 MHz. Het systeem werkt met een gemiddeld zendvermogen van 13 dBm (EIRP) in een frequentieband tussen 24,05 en 24,25 GHz. De hieruit resulterende ruimtelijke resolutie van 0,75 m is geschikt voor de gerealiseerde achterzijde-functies. Voor de hoekbepaling wordt hier de monopuls-methode gebruikt. Het systeem voert op basis van specifieke signaalverwerkingsmethoden een fasevergelijking uit van de radarreflexies via de verschillende ontvangstvertakkingen.

 

In de vierde generatie radarsensoren is een extra veiligheidsfunctie geïntegreerd: de uitstapassistent. Daarmee kunnen gevaarlijke situaties zoals voorbij rijdende voertuigen vroegtijdig, vóór het uitstappen worden herkend en de inzittenden worden gewaarschuwd.

VOORDELEN VAN DEZE SENSORTECHNIEK ZIJN:

  • Door het geringe formaat en de goede zendeigenschappen van de 24 GHz-technologie kunnen deze sensoren verborgen achter de bumper worden gemonteerd of geïntegreerd
  • Frequentiemodulatie en antenneformaat zijn perfect afgestemd
  •  Uitgewerkte massaproductie van de producten, functies en montage
  • Optimale prijs-prestatieverhouding in vergelijking met andere radartechnologieën 
TECHNISCHE GEGEVENS
Meetprincipe LFMSK (Linear Frequency Modulation Shift Keying-methode)
Frequentiebereik 24,15 GHz/ISM
Bandbreedte <= 200 MHz/ISM
Zendvermogen <= +20 dBm max. vermogen, EIRP
Cyclustijd 1,5 m bij 200 MHz OBW

Snelheidsmeting

         Relatieve snelheidsinterval
         Scheidbaarheid

 

-70 m/s tot +70 m/s
0,32 m/s

Registratiebereik – Azimuth 165°

Afhankelijk van de sensorgeneratie kunnen de volgende toepassingen worden geïntegreerd:

Bewaking dode hoek

Deze functie bewaakt het bereik dat zich in de dode hoek van de bestuurder bevindt en waarschuwt de bestuurder voor gevaarlijke situaties bij het wisselen van rijstrook. De sensor werkt in de directe nabijheid.

Lane change assist

De lane change assist zorgt voor veilige rijomstandigheden door de bestuurder te waarschuwen dat het wisselen van rijstrook gevaarlijk kan zijn. Een waarschuwingsafstand van 70 meter geeft de bestuurder voldoende tijd om het wisselen van de rijstrook op tijd te kunnen stoppen.  Deze functie maakt het rijden op de snelweg bijzonder veilig. 

PRECRASH-SYSTEEM ACHTERZIJDE

Het precrash-systeem voor de achterzijde observeert van achteren naderende voertuigen en activeert bij acuut botsingsgevaar veiligheidsmaatregelen, zoals airbags en autogordels.

UITPARKEERASSISTENT

De uitparkeerassistent waarschuwt de bestuurder bij het uitrijden voor naderende voertuigen. De functie wordt geactiveerd door de achteruitversnelling en is gebaseerd op de zijkantregistratie van de radarsensor.

VOERTUIG-UITSTAPASSISTENT

De voertuig-uitstapassistent bewaakt het bereik rechts en links van de voertuigdeuren, zowel aan bestuurders- als aan bijrijderszijde, voor en achter. De functie waarschuwt inzittenden wanneer de voertuigdeur niet veilig kan worden geopend.

LANE CHANGE ASSIST: OPBOUW EN FUNCTIE

Een technische innovatie van de rijhulpsystemen is de lane change assist. Deze informeert de bestuurder over mogelijke gevaren bij het wisselen van rijstrook op (snel)wegen met meerdere rijstroken om ongevallen te voorkomen en zo bij te dragen aan de verkeersveiligheid. 

 

In dit hoofdstuk wordt de systeeminformatie aan de hand van het voorbeeld van het bestuurdersassistentiesysteem 'Audi Side Assist' weergegeven. 

Regeleenheden

De lane change assist bestaat uit een master- en een slave-regeleenheid die wat opbouw betreft identiek zijn. Samen met een geïntegreerde radarsensor vormen beide regeleenheden elk een zelfstandige component. Boven de radarsensor is de regeleenheid voorzien van een kunststof deksel. Deze deksel, ook 'Radom' genoemd, bestaat uit een speciaal materiaal waar de radarstralen optimaal doorheen stralen.

 

De regeleenheid 'master' (1) is achter de bumper aan de linkerzijde gemonteerd en het regelapparaat 'slave' (2) achter de bumper aan de rechterzijde.

Waarschuwingslampen

Daarnaast beschikt het systeem over twee 4-LED-waarschuwingslampen in de behuizing van de buitenspiegels links en rechts zijn geïntegreerd. 

In- en uitschakelaar

Een knop waarmee de lane change assist kan worden in- of uitgeschakeld, is boven de deurbekleding linksvoor in de afdekking geïntegreerd.
Door een geïntegreerde LED-lamp in de knop wordt de functiestatus weergegeven. Het systeem slaat de als laatste ingestelde status op en neemt deze bij een herstart over. 

Werking van de lane change assist

De 'Side Assist' werkt vanaf een snelheid van 30 km/h. Het registratiebereik van de radarsensoren bedraagt ca. 50 meter achter (A) en ca. 3,60 meter naast het voertuig (B). 

 

Het systeem bewaakt het verkeer achter en naast het voertuig met behulp van radarsensoren. Het bewaakte bereik bevat de voor de bestuurder niet zichtbare ´dode hoek´ aan zowel bestuurders- als bijrijderszijde.

 

Als zich een motorvoertuig in het bewaakte bereik bevindt en er wordt niet van rijstrook gewisseld, wordt de bestuurdersinformatie door het zwak oplichten van de LED-indicaties in de buitenspiegels rechts of links weergegeven. De lichtsterkte is lager, zodat de bestuurder niet onnodig wordt afgeleid. Als de bestuurder in deze situatie het knipperlicht voor een rijstrookwissel bediend, wordt de bestuurder door intensief knipperen van de waarschuwingslamp aan de overeenkomstige zijde rechts of links in de buitenspiegel gewaarschuwd. 

 

Als er een motorvoertuig door het systeem wordt geregistreerd, berekent de desbetreffende regeleenheid tegelijkertijd de tijdsduur tot een mogelijke botsing. Aan de hand van deze analyse onderscheidt het systeem tussen zich naderende, meerijdende en terugvallende motorvoertuigen.

NADERENDE VOERTUIGEN

Een nog ver verwijderd voertuig kan als kritiek worden beoordeeld als het met hoge snelheid nadert. De waarschuwingslamp in de spiegel wordt eerder geactiveerd.

MEERIJDENDE VOERTUIGEN

Als meerijdende voertuigen voor een rijstrookwissel als kritiek worden beoordeeld, wordt de waarschuwingslamp geactiveerd. Alle voertuigen in de dode hoek worden weergegeven.

TERUGVALLENDE VOERTUIGEN

Als een geregistreerd object met een snelheidsverschil van minder dan 15 km/u langzaam door het voertuig wordt ingehaald, wordt de waarschuwingslamp geactiveerd zodra het voertuig zich in de dode hoek bevindt. Als het voertuig met een snelheidsverschil van meer dan 15 km/u wordt ingehaald, wordt er geen waarschuwing gegeven.

RIJDEN DOOR BOCHTEN

Als de bochtradius groter is dan 170 meter, worden voertuigen aan de achterzijde door het systeem herkend. Als de bochtradius kleiner is, is de lane change assist passief, omdat de sensoren niet meer het complete bewakingsbereik van 50 meter achter het voertuig kunnen registreren.

OVERIGE FUNCTIES

Gebruik van aanhangwagen
Als er een elektrische verbinding met een van fabriek af gemonteerde aanhangercontactdoos wordt gemaakt, wordt de lane change assist automatisch uitgeschakeld. 

 

Lichtsterkte van de waarschuwingslamp instellen
De lichtsterkte van de waarschuwingslamp wordt automatisch door het systeem aangepast. De informatie voor de instelling krijgt het systeem via de regen-licht-sensor. De bestuurder heeft echter de mogelijkheid om de lichtsterkte in de Multi Media Interface (MMI) naar eigen wens in te stellen. Zijn de bovenste of onderste regelgrenzen al door de automatische instelling bereikt, dan kan er geen instelling meer worden uitgevoerd. De instelwaarden worden gepersonaliseerd voor de desbetreffende voertuigsleutel. 

COMMUNICATIE EN SYSTEEMKOPPELING: OVERZICHT

Voor het berekenen van de bestuurdersinformatie over een mogelijke gevaarlijke situatie, heeft de lane assist talrijke gegevens nodig. De regeleenheid ontvangt de benodigde informatie vanuit verschillende bronnen.
Master- en slave-regeleenheid zijn via een eigen high-speed-CAN-databus met elkaar verbonden. De gegevensuitwisseling vindt plaats met een overdrachtssnelheid van 500 kBit/s. Voor verdere communicatie in het voertuig is de master-regeleenheid verbonden met de diagnose-interface om gegevens uit te kunnen wisselen met andere databus-deelnemers. 

Eenheid Informatie
Regeleenheid schakelbord Bestuurdersinformatie optisch en akoestisch over optredende storingen
Regen-lichtsensor Informeert de master-regeleenheid over de actueel gemeten lichtsterkte van de omgeving voor aanpassing van de waarschuwingslampen
ABS-regeleenheid Informatie over wielsnelheid en giersnelheid
Regeleenheid detectie aanhangwagen Informatie gebruik van aanhangwagen
Knop rijstrookassistent Informatie lane change assist `Aan of uit´
Centrale regeleenheid comfort
  • Rijstrookwisselinformatie bij knipperlichtbediening
  • Informatie ´Achteruit rijden´ bij achteruitversnelling
Regeleenheid startautorisatie Informatie toegang-startautorisatie en sleutelinformatie
Regeleenheid weergave- en bedieningseenheid Bestuurderswens ´Lichtsterkte waarschuwingslampen´

Bestuurdersinformatie in het combi-instrument

Bij een systeemuitschakeling worden op het display van het combi-instrument de volgende aanwijzingen weergegeven:

 

Aanwijzingen in het display Oorzaak
Audi Side Assist niet beschikbaar: sensoren geblokkeerd Het werkbereik of het zicht van de sensoren wordt geblokkeerd door bijvoorbeeld een fietsdrager.
Audi Side Assist: systeemstoring Door een defecte sensor kan het systeem geen veilige werking meer garanderen en schakelt uit.
Audi Side Assist: momenteel niet beschikbaar Tijdelijke uitschakeling vanwege een defecte accu of te lage laadstatus. Audi Side Assist:
bij gebruik met aanhangwagen niet beschikbaar Gebruik met aanhangwagen is herkend.

Functiebeperkingen

Het radarsysteem is zodanig geconstrueerd, dat alle rijsituaties op normaal brede rijstroken met een linker en rechter rijstrook zijn gedekt. Toch kan het systeem in enkele gevallen de waarschuwingslamp in de spiegel inschakelen, hoewel zich geen voertuig in het kritieke bereik voor een rijstrookwissel bevindt. 

 

Voorbeeldsituaties volgens voertuigfabrikant:

  • Als de bestuurder op smalle straten zeer dichtbij de rand rijdt en voertuigen op een andere rijstrook worden gedekt
  • Bij scherpe bochten kan het systeem eventueel. reageren op een voertuig op een verder verwijderde rijstrook
  • Reactie op te hoge of verspringende vangrails of andere objecten
  • Functiebeperkingen door zeer slechte weersomstandigheden
OPMERKING

Voor een probleemloze werking van de lane change assist mag de bumper in het bereik van de radarsensoren niet worden afgedekt of afgeplakt. Bovendien moeten deze gebieden in de winter vrij worden gehouden van sneeuw en ijs.

DIAGNOSE- EN REPARATIE-INSTRUCTIES LANE CHANGE ASSIST: VIDEO

Servicewerkzaamheden aan de radarsensor - Audi Side Assist

In deze video bieden wij u diagnose- en reparatie-instructies voor het rijhulpsysteem 'lane change assist'.

 

03:41 min

SERVICEWERKZAAMHEDEN AAN DE LANE CHANGE ASSIST: DIAGNOSE

Diagnose

De systeemfuncties van de lane change assist worden constant bewaakt. Optredende fouten worden in het foutgeheugen van de regeleenheid geregistreerd en kunnen met een geschikt diagnoseapparaat worden uitgelezen. Naargelang het systeem kunnen nog andere parameters worden weergegeven en worden geraadpleegd om fouten op te sporen. 

 

Bij het opsporen van fouten kunnen de volgende diagnosefuncties helpen:

Foutcode

Met deze functie kunnen de in het foutgeheugen opgeslagen foutcodes worden uitgelezen en gewist. Daarnaast kan er informatie over de foutcode worden opgeroepen.

Parameters uitlezen

Met deze functie kunnen de actuele meetwaarden van de regeleenheid worden weergegeven.

Actuatortest uitvoeren

  • Regeling van componenten door de regeleenheid in elektronische systemen
  • Controle van de basisfunctie en kabelverbinding van de componenten

Codering

  • Met deze functie kunnen nieuwe componenten of extra functies in een systeem worden vrijgeschakeld of gecodeerd.
  • Codering van stelaandrijvingen of regeleenheden na vernieuwing aan het voertuig.

Identificatie van de regeleenheden

Hier kan speciale systeem- en regeleenheidinformatie worden opgeroepen.

OPMERKING

De verschillende diagnosemogelijkheden worden weergegeven aan de hand van het voorbeeld van het diagnoseapparaat mega macs 66. De testintensiteit en veelvoud aan functies zijn afhankelijk van de systeemconfiguratie van de regeleenheid.

Kalibratie

Om een veilige werking van de lane change assist te garanderen, moet deze na de volgende werkzaamheden worden aangepast:

  • Als een of beide regeleenheden zijn vervangen
  • Als er reparatiewerkzaamheden aan de carosserie aan de achterzijde zijn uitgevoerd
  • Als er een verandering van de positie van de achterbumper is uitgevoerd
  • Bij verandering van de montagepositie van de regeleenheden door montage en demontage

 

Om het systeem te kalibreren, zijn behalve een diagnoseapparaat ook een Doppler-generator en een kalibratieplaat nodig. De testinstrumenten worden volgens de voorschriften van de fabrikant achter het voertuig uitgelijnd. De Doppler-generator simuleert een zich bewegend object. Het kalibratieproces wordt door het diagnoseapparaat gestart en volgens de vastgelegde werkstappen uitgevoerd. Binnen dit volautomatische proces herkent de regeleenheid de vereiste correctiewaarden uit de werkelijke en gewenste positie en slaat deze voor toekomstige afstandsmetingen op. 

REPARATIE-INSTRUCTIE

De bumper mag uitsluitend met de door de voertuigfabrikant vrijgegeven soorten lak worden gelakt. Niet vrijgegeven lak kan leiden tot een slechtere of foutieve werking. Ter ondersteuning van het boordnet bij servicewerkzaamheden aan het voertuig moet een geschikt laadapparaat worden aangesloten. Neem de desbetreffende onderhouds- en reparatie-instructies van de voertuigfabrikant in acht!