Bandenspanningssensoren programmeren en inleren

Hier vindt u nuttige kennis en waardevolle tips over het thema bandenspanningssensoren programmeren, oftewel TPMS-sensoren inleren.

In dit artikel wordt de configuratie van de universele HELLA TPMS-sensoren geïllustreerd met een Volkswagen Passat B8 als voorbeeld. Op dit voertuigmodel is standaard een bandenspanningscontrolesysteem met vier druksensoren en aluminium bandenventielen gemonteerd.

Belangrijke veiligheidsinstructie
De volgende technische informatie en praktische tips zijn door HELLA ontwikkeld om autogarages bij hun werkzaamheden professioneel te ondersteunen. De op deze website beschikbare informatie mag alleen worden gebruikt door vakmensen die in de desbetreffende materie zijn opgeleid.

 

Universele bandenspanningssensor: Achtergrondinformatie

De universele HELLA bandenspanningscontrolesensor kan op bijna alle originele en aftermarket velgen worden gemonteerd. Indien nodig kunnen de sensoren ook afzonderlijk worden vervangen en met andere originele sensoren gecombineerd. De universele bandenspanningssensoren kunnen worden besteld in de ventieluitvoeringen rubber, aluminium-zilver of aluminium-zwart.

 

De TPMS-sensor stuurt zijn meetwaarden draadloos naar de systeemregeleenheid op hoger niveau. Bij spanningsverlies in een band wordt via het display van het voertuig een visueel of akoestisch waarschuwingssignaal gegeven. De bestuurder wordt in een vroeg stadium gewaarschuwd en kan verdere schade aan het voertuig of mogelijke gevaarlijke situaties voorkomen.

 

De universele bandenspanningscontrolesensor moet voorafgaande aan de montage met een geschikt diagnose-apparaat op het desbetreffende voertuig worden afgesteld. Gebruik zonder afstelling is niet mogelijk.

TECHNISCHE GEGEVENS

  • Frequentie: 433Mhz (Europa)
  • Druk regelbereik: 0- 8,9 bar
  • Stroomvoorziening: geïntegreerde 3,0 V lithium-ion-batterij
  • Gewicht: ca. 43 g
  • Werktemperatuur: -40 °C tot 125 °C
  • Tolerantiebereik druk: ±1.5 psi (0,103 bar)
  • Certificering: CE / SAE J2657

Bandensensor controleren: Aanwijzingen

Invoerdiagnose

Voordat de nieuwe sensoren, bijvoorbeeld voor de winterwielen, worden geïnstalleerd en de wielen worden gemonteerd, moet als onderdeel van een eerste diagnose de werking van het bandenspanningscontrolesysteem (TPMS) worden gecontroleerd. Afhankelijk van het voertuigmodel kan dit gebeuren via de boordcomputer of ook via de regeleenheidsdiagnose.

 

De eerste diagnose wordt meestal gesteld wanneer het voertuig de werkplaats binnenkomt. Als het TPMS-waarschuwingslampje op het dashboard uitgaat na het starten van de motor en uit blijft tijdens het rijden, kan er meestal van worden uitgegaan dat alle sensoren hun waarden doorgeven aan de regeleenheid. Om er zeker van te zijn dat alles na de conversie naar behoren werkt, moet het foutgeheugen worden uitgelezen.

De TPMS-sensoren controleren met een TPMS-diagnoseapparaat

Een andere testmogelijkheid is het uitlezen van de TPMS-sensoren met een TPMS-diagnoseapparaat. In veel onderhoudsapparaten kan hier de functie "Sensor controleren" worden geselecteerd. Bij deze functie wordt het apparaat met de antenne tegen de zijkant van de band ter hoogte van het ventiel gehouden en wordt de triggerimpuls geactiveerd door op een knop te drukken. Het apparaat activeert de sensor en de waarden worden op het display weergegeven. De ID-code, bandenspanning, frequentie, temperatuur en batterijstatus van de sensor kunnen dan worden afgelezen.

 

Vervolgens wordt de werking van het TPMS-waarschuwingslampje in de instrumentengroep gecontroleerd. Na het starten van de motor mag het controlelampje niet gaan branden of knipperen. Een permanent brandend controlelampje wijst meestal op een verkeerde bandenspanning. Een eerst knipperend en vervolgens permanent brandend controlelampje betekent dat een onderdeel van het TPMS-systeem defect is.

Tips en hints

Voor documentatiedoeleinden moeten de uitgelezen sensorgegevens altijd worden genoteerd in het overdrachtsrapport met de desbetreffende voertuiggegevens en de kilometerstand. Dit zorgt voor transparantie in de voertuighistorie in geval van latere reparaties aan het TPMS-systeem.

 

Voordat er wordt begonnen met diagnose of reparatie, verdient het aanbeveling om als onderdeel eerst een visuele controle van de afzonderlijke systeemcomponenten uit te voeren. Op die manier kunnen beschadigingen aan wielen, velgen of ventielen zonder veel montage-inspanningen worden gelokaliseerd.

TPMS-sensor selecteren

Het juiste vervangende onderdeel is essentieel voor de reparatie. Vanwege de grote verscheidenheid aan modellen en onderdelen is een exacte toewijzing van het vervangende onderdeel alleen mogelijk op basis van de desbetreffende voertuiggegevens uit het kentekenregister. Indien deze beschikbaar zijn, kunnen de passende vervangende onderdelen worden toegewezen in de elektronische onderdelencatalogus of, afhankelijk van de fabrikant, in het TPMS-diagnoseapparaat. Dit zorgt ervoor dat de bandenspanningscontrolesensor wordt gemonteerd, geconfigureerd en vervolgens door het TPMS-systeem zoals vereist wordt herkend.

Programmering en onderricht van universele sensoren voor bandenspanningscontrole: VIDEO

Programmering en onderricht van universele sensoren voor bandenspanningscontrole

In deze video krijgt u belangrijke reparatie-instructies voor het programmeren en inleren van de universele bandenspanningscontrolesensoren.

 

04:08 min

Programmeren en inleren van de universele TPMS-sensoren: Handleiding

De sensor-ID van de nieuwe, universele TPMS-sensor kan nieuw worden aangemaakt of overgenomen (gekopieerd) van een andere sensor. Indien echter vier wielsensoren nodig zijn voor een nieuwe set winterbanden, zoals hieronder weergegeven, kunnen de gegevens van de oude sensoren van de zomerwielen worden overgedragen op de nieuwe sensoren. De sensoren kunnen dus worden geprogrammeerd voordat ze in de velg worden gemonteerd en draadloos geprogrammeerd met behulp van een TPMS-programmeerapparaat.
Het is belangrijk dat de nieuwe sensoren dienovereenkomstig worden gemarkeerd en later in de juiste aspositie worden gemonteerd.

 

Voordat met de configuratie van de sensoren kan worden begonnen, moeten, nadat de gewenste functie is geselecteerd, de fabrikant en het type TPMS-sensor en de bijbehorende voertuiggegevens worden ingevoerd.

TPMS-sensor-ID uitlezen en kopiëren

De gewenste functie voor het kopiëren van de sensoren in het diagnoseapparaat selecteren, vervolgens de sensor ID-gegevens van de oude sensoren uitlezen en deze overdragen op de nieuwe sensoren.

 

  • Het TPMS-apparaat met de antenne tegen de banden op de plaats van het bandventiel houden en op de startknop drukken
  • Na succesvolle overdracht wordt het sensor-ID van de oude sensor op het scherm weergegeven.
  • De procedure voor alle andere TPMS-sensoren herhalen volgens de instructies van het apparaat

 

Nadat alle TPMS-sensoren met succes zijn uitgelezen, worden alle waarden op het display weergegeven en kan de overdracht van de sensor-ID-gegevens worden gestart.

TPMS-sensor-ID overdragen

Voor het kopiëren van de gegevens als volgt te werk gaan:

  • Een nieuwe bandenspanningssensor tegen de antenne houden en op de startknop drukken. De overdracht wordt aangegeven met "Bezig met verwerken" en "Controle". Na succesvolle transmissie wordt het sensor-ID op het scherm weergegeven
  • Vervolgens de procedure bij alle andere TPMS-sensoren herhalen

 

Wanneer alle gegevens met succes zijn overgedragen, wordt dit op het display voor alle sensoren aangegeven.  
Nadat alle sensoren met succes zijn geprogrammeerd, kunnen ze in de velgen worden gemonteerd en kunnen de buitenbanden worden aangebracht.

TPMS-sensor-ID opnieuw aanmaken

Als bij een voertuig slechts één sensor defect is, kan deze ook afzonderlijk worden vervangen.

 

Aangezien er geen gegevens van de oude sensor beschikbaar zijn om te kopiëren, wordt een nieuwe ID voor deze sensor aangemaakt en bij het voertuig ingeleerd. Daartoe wordt de desbetreffende functie op het apparaat geselecteerd en gestart. Vervolgens de instructies van het diagnose-apparaat selecteren. Na succesvolle overdracht wordt de sensor-ID op het scherm weergegeven.

 

Aanwijzing!
De nieuw aangemaakte ID-codes moeten vervolgens in het voertuig worden geregistreerd of het inleerproces van de desbetreffende voertuigfabrikant moet worden uitgevoerd. Indien een code van een sensor wordt gekopieerd, vervalt de registratie meestal.

Bandenspanningssensoren inleren

Afhankelijk van de voertuigfabrikant en het bandenspanningscontrolesysteem zijn er verschillende inleerprocedures. Afhankelijk van het voertuigmodel kan deze procedure worden uitgevoerd via het voertuigmenu of via de OBD-interface met een geschikt diagnoseapparaat.

 

In ons voorbeeldgeval, de Passat B8, is geen handmatig inleren nodig na de vervanging van de bandenspanningssensoren. De TPMS-sensoren en hun positie worden automatisch door het systeem herkend tijdens een daaropvolgende testrit. De snelheid van het voertuig moet hoger zijn dan 25 km/h.

 

De inleerprocedure kan in afzonderlijke gevallen tot 20 minuten duren.

Basisinstelling van het bandenspanningscontrolesysteem

Als onderdeel van de basisinstelling worden alle oude waarden van de bandenspanningssensoren gereset en de nieuwe, actuele gegevens opgeslagen. Een basisinstelling is nodig na het vervangen van een TPMS-sensor of het verwisselen van een wiel, omdat verschillende bandenspanningen kunnen leiden tot onjuiste informatie in het systeem.

 

Basisinstelling van de bandenspanning op de Passat B8 - Voertuigen met infotainment-systeem:

  • Het contact inschakelen
  • Infotainment-systeem inschakelen
  • Op de CAR-toets op het infotainment-systeem drukken
  • Op het aanraakscherm op de menukeuze "SETUP" drukken
  • Op het aanraakscherm op de menukeuze "Banden” drukken
  • Op het aanraakscherm op de menukeuze "SET" drukken
  • Op het aanraakscherm op de menukeuze "Bevestigen” drukken.

 
Als alle door de regeleenheid bepaalde bandenspanningen overeenkomen met de specificaties van de fabrikant, wordt de menukeuze voor de aanpassing niet weergegeven!

 

Basisinstelling van de bandenspanning op Passat B8 - Voertuigen zonder infotainment-systeem:

  • Bandenspanning controleren en zo nodig corrigeren
  • Knop voor bandenspanningscontroleweergave ingedrukt houden tot u een bevestigingstoon hoort.

 

Voor details en informatie verwijzen wij u naar de voertuigspecifieke gebruiksaanwijzing!

Montage van de bandenspanningssensor - Instructies voor de montage van TPMS-sensoren: Handleiding

TPMS-sensor met insteek-rubberventiel

In geval van een reparatie adviseren wij de volgende algemene werkwijze:

 

1. Rubberventiel insmeren met een geschikte montagepasta (Fig. 2). 

2. Rubberventiel door de velg voeren en de sensor positioneren. Daartoe het ventiel met geschikt ventielintrekgereedschap monteren en ervoor zorgen dat de sensor niet klemt (afb. 3).

3. Er vervolgens voor zorgen dat het ventiel direct op de velg rust (afb. 4).

TPMS-sensor met aluminium insteekventiel

In geval van een reparatie adviseren wij de volgende algemene werkwijze:

 

1. Het bandventiel door de velg steken en de sensor zo dicht mogelijk bij de velgrand aanbrengen (afb. 6).

2. De wartelmoer over het ventiel aanbrengen en het handvast aandraaien. Vervolgens de wartelmoer met een geschikte momentsleutel vastdraaien met een aanhaalmoment van 4 Nm (afb. 7).

3. Afbeelding van een met succes geïnstalleerde TPMS-sensor (afbeelding 8).

Banden met TPMS monteren - Instructies voor de bandenmontage: Aanwijzingen

Nadat de sensoren op de juiste wijze zijn gemonteerd, kunnen de banden op de velg worden gemonteerd. Om beschadiging of een slechte werking van de sensor tijdens de montage van de banden te voorkomen, dient u de volgende instructies in acht te nemen:

  • Bij het monteren van de band de montagekop op de tegenovergestelde zijde van de TPMS-sensor aanbrengen
  • De bandenspanningssensor mag niet met montagepasta worden ingesmeerd. Een onjuiste montage kan tot een onjuiste werking of uitval van het onderdeel leiden.
  • De sensor mag niet beklemd raken tussen de verdikking van de band en de velg
  • Na de montage van nieuwe TPMS-sensoren moet het inleerproces worden uitgevoerd volgens de specificaties van de desbetreffende voertuigfabrikant
  • Het gebruik van balanceerpoeder of een middel tegen lekrijden kan tot een slechte werking of een defect van de sensor leiden

Onderhouds- en reparatie-instructies: Aanwijzingen

Bij het vervangen van de bandenspanningssensoren moeten altijd de installatie-instructies en reparatie-instructies van de product- en voertuigfabrikanten in acht worden genomen.


Gebruik zo nodig de door de voertuigfabrikant voorgeschreven montage- en demontagegereedschappen.


Reparaties aan het bandenspanningscontrolesysteem mogen alleen worden uitgevoerd door een specialist in de automobielbranche of een geschoolde monteur.

Instructie

De verschillende diagnosemogelijkheden werden geïllustreerd aan de hand van het mega macs 77 diagnose-apparaat en het TPMS-diagnoseapparaat. De desbetreffende testdiepte en het aantal verschillende functies zijn afhankelijk van de systeemconfiguratie van het betreffende systeemregelapparaat.