BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEEM (TPMS)

Hier vindt u nuttige kennis en belangrijke tips over het thema bandenspanningscontrolesystemen bij voertuigen.

Sinds het einde van 2014 hebben alle nieuwe voertuigen standaard een bandenspanningscontrolesysteem. Dit waarschuwt voor te lage bandenspanningen en beschermt de automobilist zo tegen een verhoogd brandstofverbruik en beschadigde banden. Technici vinden op deze pagina allerlei details over de betreffende systeemvarianten, praktijktips voor het vervangen van wielen en belangrijke aanwijzingen die bij de bandenmontage in acht moeten worden genomen.

Belangrijke veiligheidsaanwijzing
De onderstaande technische informatie en praktische tips zijn door HELLA ontwikkeld om werkplaatsen professioneel te ondersteunen bij hun werkzaamheden. De op deze website gegeven informatie mag alleen worden gebruikt door vakmensen die op het betreffende gebied zijn opgeleid.

 

BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEEM: BASISPRINCIPES

De bandenspanning is een belangrijke veiligheidsfactor van de auto. De vaakst voorkomende bandenschade is te wijten aan geleidelijk spanningsverlies. Dit spanningsverlies wordt door de bestuurders van het voertuig vaak te laat opgemerkt. Een te lage bandenspanning leidt tot een verhoogd brandstofverbruik en slechte rijprestaties. Ook een verhoging van de bandentemperatuur en een sterkere slijtage zijn hier gevolgen van. De band kan plotseling klappen als gevolg van een lage bandenspanning. Dit vormt een enorm veiligheidsrisico voor alle inzittenden. Daarom zijn bandenspanningscontrolesystemen (TPMS) sinds november 2014 verplicht voor alle nieuwe voertuigen in de EU.

 

Ook de universele onderdelenhandel biedt verschillende systemen ter aanvulling aan. Bandenspanningscontrolesystemen bewaken de bandenspanning en de bandentemperatuur. TPMS is al langer op de markt beschikbaar, vooral in voertuigen van de topklasse. In de Verenigde Staten zijn ze al meerdere jaren verplicht in nieuwe voertuigen. Het is dus tijd dat elke werkplaats vertrouwd raakt met dit onderwerp. Het TPMS systeem kan door een gebrekkige kennis reeds bij de wielvervanging beschadigd raken.

 

Men maakt een onderscheid tussen twee fundamenteel verschillende systemen: de indirecte en de directe bandenspanningscontrolesystemen.

INDIRECT BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEEM: FUNCTIE

Bij de indirect metende systemen gebeurt de spanningscontrole met behulp van de ABS-sensoren van het voertuig. De ABS-stuureenheid herkent het spanningsverlies van een band door een gewijzigde rolomvang. Een band met een lage luchtdruk maakt meer omwentelingen dan een band met een correcte luchtdruk. Deze systemen werken echter niet zo nauwkeurig als direct metende systemen. Bovendien is er een spanningsverlies van ca. 30 % nodig alvorens er een waarschuwingsmelding komt.

 

Het voordeel ligt in de relatief gunstige prijs, aangezien er veel reeds aanwezige voertuigcomponenten kunnen worden gebruikt. Er is enkel een aangepaste ABS-software en een extra weergave op het dashboard nodig.

DIRECT BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEEM: FUNCTIE

De direct metende systemen zijn veel nauwkeuriger, maar ook uitgebreider en dus duurder. Hier is in elk wiel een sensor met batterijvoeding geplaatst. Deze meet de temperatuur en de spanning van de band en geeft de meetwaarden draadloos door aan de TPMS-stuureenheid of de weergave-eenheid. Een of meerdere antennen zorgen voor de overdracht van het draadloze signaal.

 

Directe systemen vergelijken de bandenspanning met een in de TPMS-stuureenheid geregistreerde referentiewaarde. Het voordeel hiervan is dat ook spanningsverliezen van meerdere banden tegelijkertijd kunnen worden herkend. Daarom kan het na een bandenwissel noodzakelijk zijn om een nieuwe vereffening (kalibratie) of een nieuwe codering van de sensoren uit te voeren.

 

Een ander nadeel van de direct metende systemen is dat de batterijen na ca. 5 - 10 jaar moeten worden vervangen. Aangezien de batterijen naargelang de fabrikant samen met de sensoren een eenheid vormen, betekent dit vaak een volledige vervanging van de sensoreenheid.

 

Een nodige batterijvervanging wordt door de weergave-eenheid tijdig aangegeven en kan dus niet tot een plotse systeemuitval leiden. Bij het wisselen van zomer- naar winterbanden moet erop worden gelet dat er extra wielsensoren moeten worden aangebracht of dat de aanwezige sensoren moeten worden omgebouwd. Er moeten enkele belangrijke punten in acht worden genomen om bij de bandenmontage geen beschadigingen of werkingsstoringen te veroorzaken.

WAAROP MOET BIJ DE MONTAGE VAN DE WIELEN/BANDEN WORDEN GELET?: PRAKTIJKTIPS

Voor de wiel- of bandenwissel moet er in principe op worden gelet of het voertuig over een TPMS beschikt. Dit is bijvoorbeeld te herkennen aan een gekleurd ventiel, een gekleurde ventielkap, een symbool op het combi-instrument of een extra weergave-eenheid (bij achteraf aangebrachte systemen). Het wordt aanbevolen om de klant reeds bij de voertuigaanname naar een TPMS te vragen en op de bijzonderheden te wijzen.

Bij actieve systemen moeten de volgende punten in acht worden genomen:

  • Bij de demontage van de banden mag de afdrukschop aan beide zijden van de band alleen op de tegenoverliggende kant van het ventiel worden geplaatst (afb. 1).
  • Bij het lostrekken van de band moet de montagekop ca. 15 cm achter het ventiel worden geplaatst (afb. 2).
  • Vermijd elke krachtinwerking op de sensor.
  • Voor de demontage en de montage van de band mogen de bandhiel en de bandhoorn alleen met montagespray of zeepsop worden bevochtigd. Het gebruik van montagepasta kan ertoe leiden dat het filteroppervlak van de sensorelektronica vastplakt.
  • De sensor mag alleen met een droge, pluisvrije doek worden gereinigd. Perslucht, reinigings- en oplosmiddelen mogen niet worden gebruikt.
  • Voor de montage van een nieuwe band moet de sensoreenheid op vervuiling, beschadiging en vaste zitting worden gecontroleerd.
  • De pakkingbus of het ventiel vervangen (naargelang de aanwijzingen van de fabrikant), draaimomenten in acht nemen.
  • Na de montage eventueel een kalibratie/nieuwe codering bij koude banden uitvoeren.
  • De aanwijzingen van de voertuig- en de systeemfabrikant moeten afzonderlijk in acht worden genomen.

 

Aangezien er op de markt veel verschillende systemen van verschillende fabrikanten aanwezig zijn, moeten de fabrikantspecifieke montage-instructies zo goed mogelijk in acht worden genomen.

BANDENSPANNINGSCONTROLESYSTEMEN: OVERZICHT

Systeem Fabrikant Beschrijving Gebruikt bij
TSS Beru Tire Safety System – direct metend
TPMS met vier afzonderlijke antennen
Audi, Bentley, BMW, Ferrari, Land Rover, Maserati, Maybach, Mercedes, Porsche, VW, bedrijfswagens
SMSP Schrader, verkoop in Duitsland: Tecma Direct metend TPMS met een centrale antenne Citroen, Opel, Peugeot, Renault, Chevrolet, Cadillac
DDS Continental Teves Deflection Detection System – Indirect metend TPMS BMW, Mini, Opel
TPMS Continental Teves Tire Pressure Monitoring System – direct metend TPMS Opel
VDO BMW, Citroen, Fiat, Ford, Honda, Hyundai, Infiniti, Jaguar, Jeep, Kia, Lada, Lancia, Land Rover, Mazda, Mercedes Benz, Mini, Mitsubishi, Nissan, Peugeot, Renault, Suzuki, Tesla, Volkswagen, Volvo
Warn Air Dunlop Indirect metend TPMS BMW, Mini
Tire Guard Siemens VDO Direct metend TPMS met een vast in de band geïntegreerde, batterijloze sensor Renault
Smar Tire Verkoop: Seehase Direct metend TPMS voor aanbrenging achteraf Universeel
X-Pressure Pirelli Direct metend TPMS voor aanbrenging achteraf Universeel
Road Snoop Nokian Direct metend TPMS voor aanbrenging achteraf Universeel
Magic Control Waeco Direct metend TPMS voor aanbrenging achteraf Universeel

Onder voorbehoud

TIRE SAFETY SYSTEM (TSS) BERU: WERKPLAATSTIPS

Het TSS van Beru wordt bij veel voertuigfabrikanten standaard ingebouwd, maar ook als accessoire of als aanvulling aangeboden. BMW noemt het Beru-systeem "RDC", bij Mercedes en Audi heet het "Bandenspanningscontrolesysteem". Het bestaat uit telkens vier (bij extra reservewielbewaking telkens vijf) aluminium ventielen, wielelektronica (wielsensoren), antennen en een stuureenheid. De wielelektronica en de ventiel worden op de velg gemonteerd. De draadloze ontvangers bevinden zich in de wielkast. De weergave-eenheid is bij standaard ingebouwde systemen in het combi-instrument geïntegreerd.

Afb. 1 toont de afzonderlijke onderdelen van het systeem:

  • Wielelektronica (1)
  • Wielelektronica met bandenventiel (2)
  • Clips (3)
  • Antenne (4)
  • Stuureenheid (5)

 

Bij achteraf aangebrachte systemen wordt een afzonderlijke weergave-eenheid ingebouwd. Bij de demontage/montage van de wielen/banden moeten de hierboven genoemde punten in acht worden genomen. De wielelektronica moet bij een zichtbare beschadiging van de behuizing of bij een vervuild filteroppervlak worden vervangen.

 

Het volledige ventiel moet worden vervangen wanneer de

  • wielelektronica wordt vervangen.
  • zelfborgende (torx-)bevestigingsschroef en/of de wartelmoer van het ventiel los zit (niet aantrekken).
  • oplegpunten van de wielelektronica meer dan een millimeter uitsteken.

 

De assemblage en de montage van de wielelektronica en

  • het bandenventiel kunnen met behulp van afb. 2 eenvoudig worden uitgevoerd:
  • De zelfborgende bevestigingsschroef (1) door de behuizing van de wielelektronica (2) steken en met twee tot drie omdraaiingen in het ventiel schroeven.
  • Het ventiel (3) door de ventielboring in de velg schuiven, de afstandsring (4) opsteken en de wartelmoer (5) tot aan de constructie vastschroeven.
  • De montagepen (7) in de radiale boring van het ventiel steken en de wartelmoer met een draaimoment van 3,5 – 4,5 Nm aantrekken. De montagepen uittrekken, anders raakt de band bij de verdere montage beschadigd.
  • De wielelektronica lichtjes in de velgbedding drukken. De oplegpunten moeten vlak in de bedding liggen. Daarna de bevestigingsschroef met een draaimoment
  • van 3,5 – 4,5 Nm aantrekken.
  • Na de montage van de band de ventielkap (6) opschroeven.

Na een wiel-/bandenwissel, de wissel van de wielposities, de vervanging van de wielsensoriek of een bewuste verandering van de bandenspanning (bijv. bij een volledig geladen voertuig) worden de nieuwe spanningen door TSS overgenomen. Daarvoor moeten eerst alle banden met de voorgeschreven of speciaal gekozen spanning worden gevuld. De waarden worden opgeslagen door op de kalibratietoets te drukken. Het systeem controleert daarna of de spanningen realistisch zijn (bijv. de minimale druk of de verschillen tussen links en rechts. Als de wielen, bijv. bij seizoenswissel, in de kofferruimte van het betreffende voertuig worden getransporteerd, bevinden ze zich in de reikwijdte van de stuureenheid. Als de te vervangen wielen reeds in het systeem zijn ingelezen, ontvangt de stuureenheid in plaats van de gewoonlijke vier (met reservewiel vijf) signalen, nu acht of negen signalen. In dit geval meldt het systeem zich als "niet beschikbaar".

 

Hetzelfde kan gebeuren wanneer er gedemonteerde wielen van een ander voertuig met eveneens een TPMS in de buurt zijn. Maak het ook aan de klant duidelijk dat het systeem dan opnieuw moet worden gekalibreerd. De kalibratie van het standaard-TSS is voertuigspecifiek. Handleidingen hiervoor zijn beschikbaar op de website van Beru.

PRAKTIJKTIP

Als het reservewiel ook via het TPMS wordt bewaakt, moet het na de uitbouw opnieuw precies worden ingebouwd in de positie waarin het zich daarvoor bevond. In het bijzonder in het kader van een inspectie of na de controle van de luchtdruk moet er bijvoorbeeld bij de BMW E60, E65 op worden gelet dat het bandenventiel zich na de inbouw van het reservewiel opnieuw in de 9 uur-positie bevindt. De ontvanger herkent de signalen van de zender alleen in deze positie.

 

Vooral Franse voertuigfabrikanten gebruiken het SMSP-systeem van Schrader. Dit systeem onderscheidt zich door het feit dat het slechts over één draadloze ontvanger (antenne) beschikt.

 

De posities van de wielen worden door de verschillende kleuren van de ventielen onderscheiden:

  • Groene ring = vooraan links
  • Gele ring = vooraan rechts
  • Rode ring = achteraan links
  • Zwarte ring = achteraan rechts

 

Na een bandenmontage of na de vervanging van een sensor kan een codering van de sensoren vereist zijn, aangezien een positieverschil van de wielen door slechts één antenne niet wordt herkend of de draadloze verbinding werd verbroken. Aangezien de elektronica bij dit systeem tijdens de stilstand van het voertuig slechts om de 15 minuten de spanning meet en de meetwaarden slechts één keer per uur naar de stuureenheid stuurt, heeft men voor de codering naast een diagnoseapparaat ook een zogenaamde "ventielwekker" nodig.

 

Deze verzoekt de wielsensoriek draadloos de meetwaarden aan de stuureenheid over te dragen.

Diagnoseapparaten zoals de Hella Gutmann mega macs  77 zijn bovendien in staat om het storingsgeheugen en de werkelijke waarden van de TPMS-systemen uit te lezen en eventuele storingscodes te wissen.

 

Daarnaast stellen veel voertuigsystemen voor een snelle diagnose digitale meetwaarden ter beschikking in de vorm van parameters. Parameters geven de actuele toestand of de voorgeschreven en werkelijke waarden van een component aan. Hier kan bijvoorbeeld informatie worden opgevraagd over de actuele bandenspanning.

 

Afhankelijk van het voertuigmodel en het systeem kan er gebruik worden gemaakt van aanvullende instructies voor onderhoud en reparatie uit de voertuiginformatie.

 

De testdiepte en het aantal verschillende functies kunnen afhankelijk van de voertuigfabrikant en de systeemconfiguratie van de regeleenheid variëren.

PRAKTIJKTIP

Na de demontage van de wielen (bijvoorbeeld bij een remreparatie) moeten ze opnieuw worden gemonteerd op de positie waarin ze zich oorspronkelijk bevonden. Anders kunnen er weergavefouten van het TPMS ontstaan (bijv. Renault Laguna 2).

 

Er wordt bij nagenoeg alle spanningssystemen in het frequentiebereik van 433 MHz gezonden. Dit frequentiebereik wordt echter ook door bijvoorbeeld draadloze apparaten, draadloze koptelefoons, alarmsystemen en garagedeuraandrijvingen gebruikt. Gelieve hier rekening mee te houden wanneer er storingen van het TPMS zouden ontstaan. De actuele ontwikkeling gaat richting kleine, batterijloze (transpondertechnologie) actieve systemen die in het karkas worden gekleefd of in de banden worden geïntegreerd. Deze systemen werken in het niet zo storingsgevoelige bereik van 2,4 GHz en kunnen naast temperatuur- en spanningswaarden ook nog andere informatie zoals de toestand van de rijbaan en slijtage registreren.

Tegenwoordig behoren bandenspanningscontrolesystemen even vanzelfsprekend tot de uitrusting van een voertuig als ABS of airco.

 

Bij alle bewakingstechnologieën mag één ding echter niet uit het oog worden verloren. Een TPMS corrigeert de luchtdruk niet zelfstandig en geeft ook geen uitkomst over de ouderdom of de profieldiepte van de band. Zo zal het ook in de toekomst noodzakelijk zijn om de banden regelmatig te controleren als belangrijkste verbinding tussen het voertuig en de rijbaan.

Direct bandenspanningscontrolesysteem – Voorbeeld Mercedes-Benz W212 E350: Service-instructies

De onderstaande informatie wordt bij wijze van voorbeeld weergegeven voor een Mercedes-Benz W 212 E350 met een direct bandenspanningscontrolesysteem. Bij dit voertuig zijn er bij alle vier de wielen sensoren ingebouwd die de bandenspanning doorgeven aan een regeleenheid van hogere orde. Aan de hand van de gegevens van de wieltoerentalsensoren bewaakt het bandenspanningscontrolesysteem de bandenspanning. Als er bij een wiel een spanningsverlaging wordt vastgesteld, krijgt de bestuurder als waarschuwing hiervoor op het multifunctionele display van het combi-instrument de aanwijzing 'Bandenspanningsverlies' te zien. 

Weergave van de bandenspanning op het multifunctionele display

  • Schakel het contact in
  • Druk de toets systeemkeuze 'pijl naar rechts' op het stuurwiel zolang in tot er op het display SERVICE wordt weergegeven (afbeelding 1).
  • Bevestig de invoer met 'OK'.
  • Druk op de toets 'pijl omlaag' tot op het display 'Bandenspanning' wordt weergegeven (afbeelding 2).
  • Bevestig de invoer met 'OK'.

 

Op het display wordt de actuele bandenspanning van de afzonderlijke banden weergegeven (afbeelding 3). Als het voertuig voorafgaand aan de controle langere tijd heeft stilgestaan, wordt op het display 'Bandenspanningsweergave verschijnt na een paar minuten rijden' weergegeven.

Bandenspanning in het systeem instellen en opslaan

In de volgende gevallen moet er een basisafstelling van de bandenspanningswaarden in het systeem plaatsvinden:

  • Er is een waarschuwing van het bandenspanningscontrolesysteem geactiveerd.
  • De bandenspanning is veranderd of ingesteld.
  • Er zijn banden of wielen omgezet of vervangen.
  • De accu is losgekoppeld of vervangen.

 

Op het display worden de volgende waarschuwingen weergegeven:

  • 'Bandenspanning corrigeren'. De bandenspanning van minimaal één band is te laag en deze band moet bij gelegenheid worden bijgevuld
  • 'Banden controleren'. De bandenspanning van een of meer banden is sterk afgenomen
  • 'Let op band defect'. De bandenspanning van een of meer banden is plotseling sterk afgenomen

Verloop van de initialisering

Zet het voertuig neer op een veilige plek en trek de hand-/parkeerrem aan.

  • Controleer de bandenspanning van alle vier de wielen zoals aangegeven door de fabrikant en corrigeer de bandenspanning zo nodig.
  • Contact inschakelen.
  • Druk de toets systeemkeuze 'pijl naar rechts' op het stuurwiel zolang in tot er op het display SERVICE wordt weergegeven.
  • Bevestig de invoer met 'OK'.
  • Druk de toets 'pijl omlaag' op het display in tot de melding 'Bandenspanningscontrole actief' wordt weergegeven.
  • Bevestig de invoer met 'OK'.
  • Op het display wordt 'Bandenspanning nu OK?' weergegeven (afbeelding 4).
  • Kies de optie 'JA' en bevestig deze.
  • Op het display wordt 'Bandenspanningscontrolesysteem opnieuw gestart' weergegeven.

 

De nieuwe waarden van de bandenspanning worden na een paar minuten rijden door het systeem gecontroleerd en vervolgens opgeslagen als nieuwe referentiewaarden. Als alternatief kan de basisafstelling ook worden uitgevoerd met een geschikt diagnoseapparaat. Het bandenspanningscontrolesysteem herkent de bandenspanning na het aanleren automatisch.

Onderhoudsinstructie

Bij dit voertuigmodel staan de door de voertuigfabrikant aanbevolen bandenspanningswaarden aangegeven op een sticker in de tankklep en in de gebruiksaanwijzing. Als er een verkeerde bandenspanning wordt ingesteld en geactiveerd, controleert het systeem een verkeerde drukwaarde!

 

Het bandenspanningscontrolesysteem kan in de volgende gevallen beperkt of vertraagd functioneren:

  • Er zijn sneeuwkettingen aan het voertuig gemonteerd
  • Er wordt met het voertuig gereden op een losse ondergrond
  • Er wordt gereden met een te zwaar beladen aanhanger
  • Sportief rijden, sterk accelereren of remmen op een traject met veel bochten
  • Eenzijdige belasting door te sterke belading aan één kant van het voertuig

Aanwijzing!

Neem in dit verband altijd de betreffende onderhouds- en reparatie-instructies van de voertuigfabrikant in acht!

Indirect bandenspanningscontrolesysteem – Voorbeeld Mazda CX-5: Service-instructies

De onderstaande informatie wordt bij wijze van voorbeeld weergegeven voor een Mazda CX-5 met een indirect bandenspanningscontrolesysteem. Dit systeem meet de bandenspanning van alle vier de banden. Aan de hand van de gegevens van de wieltoerentalsensoren bepaalt de ABS-regeleenheid de bandenspanning. Als er bij een wiel een spanningsverlaging wordt vastgesteld, wordt de bestuurder optisch en akoestisch gewaarschuwd. Voor een goede werking moet het systeem met de voorgeschreven bandenspanning worden geïnitialiseerd.

Bandenspanning in het systeem instellen en opslaan

In de volgende gevallen moet het systeem opnieuw worden geïnitialiseerd:

  • De bandenspanning is gecorrigeerd.
  • Er is een band vervangen.
  • De wielen zijn omgezet.
  • De ABS-regeleenheid is vervangen of losgekoppeld.
  • De accu is losgekoppeld of vervangen.
  • Het waarschuwingslampje van het bandenspanningscontrolesysteem brandt.

Verloop van de initialisering

Zet het voertuig neer op een veilige plek en trek de hand-/parkeerrem aan.

  • Controleer de bandenspanning van alle vier de wielen zoals aangegeven door de fabrikant en corrigeer de bandenspanning zo nodig.
  • Contact inschakelen.
  • Druk de toets SET zolang in tot het TPMS-waarschuwingslampje op het dashboard 2 x knippert en er een akoestisch waarschuwingssignaal wordt gegeven (afbeelding 5).
  • Op het display wordt 'Bandenspanningsmonitor geïnitialiseerd' weergegeven (afbeelding 6).
  • Maak vervolgens een testrit om de procedure af te sluiten.

Onderhoudsinstructie!

Bij dit voertuigmodel staan de door de voertuigfabrikant aanbevolen bandenspanningswaarden aangegeven op een sticker op de B-stijl aan de bestuurderszijde en in de gebruiksaanwijzing. Omdat er bij dit voertuig geen TPMS-sensoren zijn ingebouwd, kunnen winterbanden volgens hetzelfde principe worden aangeleerd.

Uitvalsoorzaken

Omdat het systeem veranderingen in de toestand van de banden registreert, kan er in de volgende gevallen een waarschuwing worden gegeven:

  • De ingestelde bandenspanning ligt duidelijk boven de voorgeschreven waarde
  • De combinatie van wielen en banden komt niet overeen met de door de voertuigfabrikant voorgeschreven specificatie
  • Gebruik van een noodwiel of sneeuwkettingen
  • Agressief rijden, sterk accelereren of remmen op een traject met veel bochten
  • Eenzijdige belasting door te sterke belading aan één kant van het voertuig

Aanwijzing!

Neem in dit verband altijd de betreffende onderhouds- en reparatie-instructies van de voertuigfabrikant in acht!

EU-WETGEVING MET BETREKKING TOT HET CONTROLESYSTEEM VOOR DE BANDENSPANNING: WETENSWAARDIGHEDEN

Op 10 maart 2009 heeft het Europees Parlement in Straatsburg officieel zijn goedkeuring gehecht aan een voorstel voor een verordening (EG Nr. 661/2009) van de Commissie om de typegoedkeuring van voertuigen in Europa te vereenvoudigen. Deze verordening schreef daarbij ook de verplichte invoering van reeds betrouwbare technologieën, waaronder de bandenspanningscontrolesystemen (TPMS), voor. "Voertuigen van klasse M1/M1G moeten met een nauwkeurig bandenspanningscontrolesysteem worden uitgerust, dat de bestuurder binnen in de auto waarschuwt wanneer in een van de banden verlies van spanning optreedt waardoor niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor een optimaal brandstofverbruik en voor de garantie van de veiligheid op straat. De omzetting vond daarbij stap voor stap plaats: vanaf november 2012 moesten alle nieuw goedgekeurde voertuigtypes met bandenspanningscontrolesystemen zijn uitgerust. Vanaf november 2014 geldt dit voor alle nieuw toegelaten voertuigen.