De regensensor herkent neerslag op de voorruit met behulp van een opto-elektronische meetmethode. Het sensorelement bestaat uit een of meer lichtdiodes (zender), een prisma en een fotodiode (ontvanger). Een door de lichtdiode gegenereerde lichtstraal bereikt via een prisma de voorruit en wordt door het buitenoppervlak van de voorruit meerdere malen gereflecteerd en naar de fotodiode verder geleid.
De combinatie van de sensorpositie en het droge ruitoppervlak maakt een optimale reflectie van de lichtstraal mogelijk (
foto 4
).
Regendruppels op de voorruit veranderen het reflectiegedrag dusdanig, dat niet alle lichtstralen hun bestemming bereiken en door de waterdruppels worden afgebogen. (
foto 5
).
Hoe harder het regent, hoe minder licht de fotodiode bereikt. De analyse-elektronica berekent op basis van de stralingssterkte de actuele hoeveelheid regen op de voorruit en stuurt deze informatie naar de ruitenwisserelektronica, die deze nodig heeft om de wissnelheid te regelen. Door continue metingen van de sensor kan het wisgedrag dus precies worden afgestemd op de hoeveelheid neerslag. Als er zware regen of opspattend water van een voorligger wordt gedetecteerd, schakelt het systeem automatisch van de intervalstand over op de hoogste wisserstand.