MIS GEEN ENKEL NIEUWS!

Met de gratis nieuwsbrief geeft HELLA om de twee weken informatie over alle nieuwe ontwikkelingen in HELLA Tech World

Blijf op de hoogte!
Meer informatie over onze nieuwsbrief weergeven Meer informatie over onze nieuwsbrief uitschakelen
 

Met de gratis nieuwsbrief geeft HELLA om de twee weken informatie over alle nieuwe ontwikkelingen in HELLA Tech World, bijvoorbeeld:

  • Nieuwe voertuigspecifieke reparatie-aanwijzingen
  • Technische informatie - van basiskennis tot diagnosetips
  • Productinnovaties
  • Werkplaatsrelevante marketingacties en wedstrijden

Daarvoor hoeft u alleen uw e-mailadres op te geven. Klik hier als u zich voor de nieuwsbrief wilt afmelden.

VERSTUIVER / INJECTOR

Hier vindt u nuttige basiskennis en belangrijke tips over het thema verstuivers respectievelijk injectoren bij voertuigen.

Injectoren wijzen aan elke cilinder de benodigde hoeveelheid brandstof toe en verstuiven deze tegelijkertijd, zodat deze optimaal in de verbrandingsruimte kan verbranden. Via deze pagina informeren wij u over de werking van de injectoren en over mogelijke storingssymptomen. Verder vindt u hier waardevolle tips voor de foutopsporing bij injectoren, bij zowel draaiende als uitgeschakelde motor.

Belangrijke veiligheidsaanwijzing
De volgende technische informatie en praktijktips werden door HELLA opgesteld om werkplaatsen tijdens hun werk professioneel te ondersteunen. De aangegeven informatie op deze website mag alleen door daarvoor opgeleid vakpersoneel worden gebruikt.

 

WERKING VAN VERSTUIVERS: WERKINGSPRINCIPE

Injectoren hebben als taak om bij elke bedrijfstoestand van de motor de door het regelapparaat berekende brandstofhoeveelheid exact in te spuiten. Voor een goede brandstofverstuiving bij geringe condensatieverliezen moet motorspecifiek een bepaalde afstand en inspuithoek worden aangehouden.

 

Injectoren worden elektromagnetisch bediend. Het regelapparaat berekent en verstuurt de elektrische impulsen voor het openen en sluiten van de injectoren aan de hand van de actuele sensorgegevens over de motorbedrijfstoestand. Injectoren zijn opgebouwd uit een injectorhuis waarin zich een magneetwikkeling en een geleiding voor de verstuivernaald bevinden, alsmede een verstuivernaald met magnetisch anker. Wanneer het regelapparaat een spanning op de magneetwikkeling aanbrengt, wordt de verstuivernaald van de injectorzitting opgetild waardoor een precisieboring wordt vrijgegeven. Zodra de spanning wegvalt, wordt de verstuivernaald door een veer op de injectorzitting teruggedrukt en de boring afgesloten.

 

De doorstroomhoeveelheid bij geopende injector wordt nauwkeurig bepaald door de precisieboring. Voor het inspuiten van de brandstofhoeveelheid die voor de bedrijfstoestand is berekend, stemt het regelapparaat de openingstijd van de injector af op de doorstroomhoeveelheid. Dit garandeert dat altijd de juiste hoeveelheid brandstof wordt ingespoten. Door het ontwerp van de injectorzitting en de precisieboring wordt een optimale verstuiving van de brandstof bereikt.

VERSTUIVER KAPOT: SYMPTOMEN

Een defecte of niet goed werkende injector kan de volgende foutsymptomen veroorzaken:

  • Startproblemen
  • Verhoogd brandstofverbruik
  • Vermogensverlies
  • Schommelend stationair toerental
  • Slecht uitlaatgasgedrag (bijvoorbeeld slechte waarden bij uitlaatgasonderzoek)

 

Mogelijke gevolgschade:

  • Verkorting van de motorlevensduur,
  • Schade aan katalysator, roetfilter

VERSTUIVER KAPOT: OORZAKEN: UITVALSOORZAAK

MOGELIJKE OORZAAK VOOR EEN DEFECT OF SLECHTE WERKING:

  • een verstopte filterzeef in de injector door verontreinigde brandstof
  • een slecht sluitende verstuivernaald door zeer kleine interne verontreinigingen, externe verbrandingsresten, afzettingen van additieven
  • een dichtgeslibde, afgesloten uitstroomboring
  • een kortsluiting in de spoel
  • een kabelonderbreking naar het regelapparaat

VERSTUIVERS TESTEN: FOUTOPSPORING

Een foutopsporing kan bij zowel draaiende als stilstaande motor worden uitgevoerd.

Foutopsporing bij draaiende motor

Ingespoten hoeveelheid brandstof vergelijken

Met een cilindervergelijkingsmeting en een gelijktijdige uitlaatgasmeting kan aan de hand van de toerentaldaling, evenals de HC- en CO-waarden van de afzonderlijke cilinders de ingespoten brandstofhoeveelheid worden vergeleken. In het gunstigste geval zijn de waarden bij alle cilinders gelijk. Bij sterk verschillende waarden wordt eventueel te weinig brandstof ingespoten (veel onverbrande brandstof = hoge HC- en CO-waarden, weinig onverbrande brandstof = lage HC- en CO-waarden). De oorzaak kan een defecte injector zijn.

Spanning en impulsduur aflezen en vergelijken

Met de oscilloscoop kan het inspuitsignaal worden weergegeven. Daarvoor wordt de meetleiding op de signaalleiding aangesloten en de andere leiding op een geschikt massapunt. Bij draaiende motor kunnen aan de hand van het signaalbeeld de spanning en impulsduur (openingstijd) worden afgelezen. Bij het openen van de gasklep moet tijdens de acceleratiefase de impulsduur toenemen en bij een constant toerental (ca. 3.000 omw/min) weer tot op of net onder de stationairwaarde afnemen. De resultaten van de afzonderlijke cilinders kunnen met elkaar worden vergeleken en eventueel uitsluitsel over mogelijke fouten geven, bijvoorbeeld een slechte spanningsvoorziening.

Brandstofdrukmeting en aanzuig- en uitlaatgassysteem op dichtheid controleren

Andere belangrijke controles zijn de brandstofdrukmeting, waarmee mogelijke andere defecte onderdelen (brandstofpomp, brandstoffilter, drukregelaar) kunnen worden herkend, evenals de controle van het aanzuig- en uitlaatgassysteem op dichtheid, waarmee onjuiste meetresultaten kunnen worden vermeden. Als de sensor een 2-polige stekker heeft, dan is er waarschijnlijk sprake van een inductieve sensor. Hier kunnen de interne weerstand, een eventuele massasluiting en het signaal worden gemeten.

 

Daarvoor verwijdert u de stekkerverbinding en controleert u de interne weerstand van de sensor. Als de interne weerstand 200 tot 1.000 Ohm bedraagt (afhankelijk van de gewenste waarde), is de sensor in orde. Bij 0 Ohm is er een kortsluiting aanwezig en bij M Ohm een onderbreking. De controle op massasluiting wordt met behulp van de ohmmeter van een aansluitpin naar de voertuigmassa uitgevoerd. De weerstandswaarde moet naar oneindig neigen. De controle met een oscilloscoop moet een sinussignaal van voldoende sterkte uitwijzen. Bij een Hall-sensor hoeven alleen de signaalspanning in de vorm van een bloksignaal en de voedingsspanning te worden gecontroleerd. Er moet zich afhankelijk van het motortoerental een bloksignaal voordoen. We herhalen het nog maar eens: het gebruik van een ohmmeter kan de Hall-sensor onherstelbaar beschadigen.

Foutopsporing bij uitgeschakelde motor / uitgeschakeld contact

Controle van de kabelverbinding op doorgang

Controle van de kabelverbinding tussen de injectoren en het regelapparaat op doorgang (schakelschema nodig voor de pinbezetting). Voor deze meting de regelapparaatstekker lostrekken en de afzonderlijke draden van de injectorstekker naar het regelapparaat controleren. Gewenste waarde: ca. 0 Ohm.

Controle van de kabelverbinding op massasluiting

Controle van de kabelverbinding tussen de injectoren en het regelapparaat op massasluiting. Bij losgenomen regelapparaatstekker de draden van de injectorstekkers naar het regelapparaat tegen de voertuigmassa meten.

Spoelen van de injectoren op doorgang controleren

Spoelen van de injectoren op doorgang controleren. Hiervoor de ohmmeter tussen de beide aansluitpinnen aansluiten. Gewenste waarde: ca. 15 Ohm (opgaven van de fabrikant in acht nemen).

Spoelen van de injectoren op massasluiting controleren

Spoelen van de injectoren op massasluiting controleren. Hiervoor elke afzonderlijke aansluitpin tegen het injectorhuis op doorgang controleren. Gewenste waarde: >30 MOhm.

Op een stationaire testbank is het mogelijk het sproeipatroon van de verstuivers in uitgebouwde toestand te testen. Afhankelijk van de fabrikant van de toestellen bestaat ook de mogelijkheid de injectoren te reinigen.